Blog

103. Middelerwijl in Bombay

17-01-2021
Ik ben een manuscript uit de jaren ’90 van me aan het herschrijven. Een deel speelt zich af in hedendaags Mumbai, de rest draait om een dagboek uit 1938 van een Engelse vrouw in Bombay, zoals de stad tot 1995 heet. Zou ik in het dagboek uitroepen als duh of supervet gebruiken, dan gelooft niemand dat het verhaal uit de eerste helft van de vorige eeuw stamt. Uit de roman Karakter (1938) haal ik bijna vergeten woorden waaronder middelerwijl en daarnevens en laat ze opduikelen in mijn gerenoveerde manuscript.
Zelf ben ik in 1984 voor het laatst in Bombay. Geld voor een herontdekkingstripje ontbreekt me, benodigde feitjes en weetjes vind ik nu in boeken en op internet. Zo ontdek ik dat er nog volop koloniale monumenten in het oude centrum staan. Wil je ze op je gemak bekijken en niet ten onder gaan in de deinende zee van krioelende mensen, worstel je dan naar de overkant van een van de tjokvolle wegen en klem daar je rug tegen een muur. Let bij het oversteken goed op de tienduizenden ronkende en stinkende auto’s, vrachtwagens, bussen, taxi’s en scooters die kriskras door elkaar scheuren en zich van verkeerslichten noch voetgangers iets aantrekken. Alleen koeien hebben weinig te vrezen. Rijd je zo’n beest aan, dan kan je dat een jarenlange gevangenisstraf opleveren, dus iedereen probeert met een boog om ze heen te rijden. Ik lees over de koloniale gebruiken en omgang tussen Engelsen en Indiërs in de nadagen van de Britse overheersing. En over ontwikkelingen in het minstens zo boeiende heden.
Dankzij Google Maps/Satelliet dwaal ik door straten en over pleinen zonder me zorgen te hoeven maken over verkeersongevallen, zakkenrollers, diarree en de dagelijks in te ademen hoeveelheid fijnstof van een slof sigaretten. Mijn virtuele ervaringen brei ik als een kleurrijk patroon door het manuscript. De rest verzin ik. Zolang het geloofwaardig is, loeit er geen Indiase koe naar.

 
Mijn blog liever in je mail? Vul hier je gegevens in. Je kunt er ook een opmerking kwijt. Vind je mijn blog leuk? Deel hem gerust met anderen. Graag zelfs.

102. Virtuele vriend

10-01-2021
Kinderen met fantasie kunnen er een hebben. Een verzonnen vriendje. Dat kan een tekenfilmfiguur zijn. Of de poes. Met zo’n vriendschap leren kleintjes het verschil tussen echt en fictief. De situatie naar je hand zetten en iemand in de buurt die doet wat jij wilt. Welk kind fantaseert er niet over? En daar zit hem de kneep. Ik ben een zestiger. Ik ken het verschil tussen fantasie en werkelijkheid en heb geen gebrek aan aandacht van mensen van vlees en bloed.
Ik ben een tiener wanneer Peter, tijdens een boswandeling in mijn eentje, voor het eerst mijn bewustzijn binnenglipt. Sindsdien vergezelt deze stille kompaan me op tijden dat ik alleen over het strand en door een stad wandel, of uit het raam van een trein tuur. Prachtige wolkenlucht, zeg ik zwijgend. Dat gebouw! Die kleuren! Hij is het altijd met me eens, deze trouwe Peter. Lichamelijke kwalen door ouderdom hebben geen vat op hem. Dat komt omdat ik geen lijf voor hem heb verzonnen. Heeft hij niet nodig, in mijn verbeelding is zijn aanwezigheid er alleen om beelden van de omgeving mee te delen.     
Er rust een taboe op uit de duim gezogen volwassen vriendschappen. Terwijl iedereen weleens een denkbeeldig gesprek voert. Of het nou met je god is of een overleden geliefde, als voorbereiding op een ontmoeting of om recht te praten wat voor jou krom is: in onze fantasie maken wij de dienst uit. Het kan ongemakkelijk worden als je de collega met wie je slechts in je hoofd een dampende verhouding hebt, op een dag vol op de mond kust. Of dat je verschillende verzonnen vrienden hebt en ze allemaal tegelijk aandacht wilt geven.    
Hoor je me ooit gemoedelijk tegen een onzichtbare gesprekspartner praten, dan heeft Peter toch oren en is hij hardhorend geworden. Maar roep ik geërgerd: ‘Hoe kom je daar nou bij?’ Dan ben ik waarschijnlijk in gezelschap van een werkelijk bestaande metgezel.
 

101. Huidhongersnood

03-01-2021
Als alleengaande zonder kroost word ik minder vaak liefkozend beetgepakt dan mensen met partner of nageslacht. Zeg maar gerust zelden. En vanwege het nadrukkelijke overheidsadvies om iedereen buiten het gezin voorlopig op veilige stoklengte afstand te houden en dus vooral niet aan te raken – laat staan te omarmen – is mijn huid sinds het begin van de coronacrisis langzaam maar zeker aan het verhongeren. Duw er een stethoscoop op en je hoort de wanhoopskreetjes uit mijn verschrompelende poriën.
En daarom streel ik af en toe mijn wang met een door het vele ontsmetten schraal geworden hand. Of sla ik mijn armen om me heen terwijl ik mij inbeeld dat iemand anders me teder omstrengelt. Je moet toch wat om het gevoel te houden dat je bestaat. Mijn emotioneel uitgemergelde vel trapt niet in dat foefje. Die krijst onverminderd om de voedende aandacht van andermens aanraking.
Met Aap en Karel als noodgedwongen uitwijkmogelijkheden voor vacht-op-huidcontact, heeft mijn pluchen knuffel een nieuwe vulling nodig nu ik zijn ingewanden vertroetelend tot pulver heb geperst. En het eens zo glanzende bontje van mijn kat vertoont ernstige tekenen van slijtage. Ziet hij me met uitgestrekte armen op zich afkomen, dan schiet hij ervandoor met een dikke staart en een blik van o nee, daar heb je haar weer met d’r aai- en knuffelaandrang. Een hartelijke omhelzing, bemoedigende aai over mijn bol of geruststellende hand op mijn schouder? In deze tijden is het te veel gevraagd.
Dat lichamelijk contact van levensbelang is voor baby’s weten we. Het is een basisbehoefte. Maar de betekenis van dat verlangen neemt echt niet af wanneer we volwassen zijn. Elkaar aanraken vermindert stress. Het zorgt ervoor dat we endorfine aanmaken, wat ziektes voorkomt en zodoende bijdraagt aan onze gezondheid.
En daarom hoop ik dat alle slachtoffers van deze huidhongersnood zo snel mogelijk weer alle omhelzingen en andere lichamelijke uitingen van genegenheid zullen krijgen die ze zich wensen. Laat maar komen.

 
 
 
 
inDelen