Blog

Afl. 38 Denderend dagje Den Haag

14-07-2019
Donderdag. Op weg naar het station na een gezellig dagje Den Haag met een vriendin dender ik voorover op een fietspad. Stoeprand over het hoofd gezien. In de trein groeit er ineens een tennisbal op mijn rechterenkel en op het station van Roosendaal kan ik niet meer op mijn enkel leunen zonder in getier uit te barsten. Een NS-medewerker sjort me in een rolstoel en duwt me naar de taxistandplaats.  In het ziekenhuis zwachtelt een verpleegkundige mijn voet in ‒ verrekte enkelbanden ‒ en overhandigt me krukken.
     Thuis ondervind ik hoe lastig het is om je met die dingen voort te bewegen. Het is een strafexpeditie om in de keuken of de badkamer te komen. Net als gaan slapen. Op mijn kont sleep ik me naar boven, schuif daar als een dreumes naar mijn bed en hijs mezelf erin. Dagenlang zit ik met mijn poot omhoog. Door het geklungel met die krukken voelt het alsof ik op mijn armen loop. Mijn rug doet pijn, ik lees totdat ik scheel kijk en mijn humeur duikelt naar beneden. Twee avonden eet ik bij mijn zus en zwager. Houd als ongeoefende krukkenloper maar eens een vol bord vast, dat wordt geheid een bende. Op zondag gebruik ik nog één kruk. Weliswaar verkeerd, zegt een kennis die er ervaring mee heeft. Uitleg was er in het ziekenhuis niet bij.
      Dinsdag. Je bent flink tekeer gegaan, zegt de fysiotherapeut. Hij bekijkt mijn voet met de Delfts blauwe en zeegroene tinten alsof het een modernistische sculptuur is en tapet hem in. Niet autorijden, wel fietsen en voorzichtig lopen.
      Woensdag. Na een kwartier op de hometrainer en een stukje wandelen door de tuin begint mijn voet te steken. In mijn hoofd zeurt Miepje dat ik nooit meer zonder pijn zal kunnen lopen. Ik geef haar een denkbeeldige trap tegen háár enkels. Langzaam gaat het beter. Nog even doorbijten tot de controle op maandag in het ziekenhuis.  
 

Afl. 37 Hoofdzaken

07-07-2019

Verstrooidheid en vergeetachtigheid zijn bekenden van me. Toen ik half in de twintig was heb ik een keer het bord met avondeten in de pedaalemmer gekwakt in plaats van het groenteafval en de verpakkingen. En een jaar of tien geleden vond ik mijn bril na een intensieve speurtocht terug op een zak spruiten in de koelkast.
Sluit even je ogen zodra je de volgende zin hebt gelezen. Noem hardop de kleuren van de kleding die je op dit moment draagt. Je hebt het goed geraden? Inclusief de kleur van je ondergoed en sokken? Petje af. Ik kom vaak niet verder dan de kleur van mijn sokken. Op één paar witte na heb ik alleen zwarte, vandaar.
Er zijn van die ochtenden dat ik me in de badkamer pijnig over de vraag wat de benaming van die lap badstof aan het haakje naast de wastafel ook weer is. O ja, handdoek! Of: hoe heet mijn overbuurman? Terwijl ik hem dat al een paar keer heb gevraagd. Bloedirritant vind ik het wanneer ik een zin inzet en halverwege vergeet wat ik wilde zeggen of vragen. Daarnaast heb ik ‒ wie niet ‒ dagen dat maar een deel van de knopjes in mijn hoofd op ‘aan’ staat omdat ik slecht heb geslapen, er iets belangrijks op stapel staat of omdat ik veel aan mijn knar heb.
Onlangs had ik het met een vriendin over mijn langzaam toenemende vergeetachtigheid. Of ik misschien een beginnende vorm van dementie kon hebben? Ze lachte. ‘Zolang je zelf beseft dat je geheugen een zeef wordt valt het wel mee.’
Ik denk dat we er allemaal mee te maken krijgen. Het wordt pas echt vervelend als er steeds meer herinneringen verdwijnen naar een plaats waar je ze nooit meer kunt vinden. Al kan dat voor sommigen een zegening zijn.


 

Afl. 36 Duif

30-06-2019

Het is weer raak. Sinds een paar weken landt er tussen vijf en zes uur ‘s ochtends vaak een koerende duif op mijn dak. Een houtduif denk ik, maar dat weet ik niet zeker en ik ga op die tijd echt niet uit het raam hangen om uit te vogelen of het klopt. In plaats daarvan sluit ik mijn ogen en doe alsof het geluid mij niet stoort.
 
Het beest begint zijn riedel aan de voorkant. Waarom hij een paar minuten later over de nok of door de zinken dakgoot naar de achterkant trippelt is me niet duidelijk. Misschien heeft hij net als veel mensen een ochtendritueel. Of bestrijkt zijn territorium een deel van de omgeving dat hij niet in één oogopslag kan overschouwen. Hoe dan ook, terwijl hij van noord naar zuid huppelt blijft hij koeren en hoor ik het aantal decibellen toenemen naarmate hij de rand boven mijn slaapkamerraam nadert. Daar aangekomen pikt hij soms tegen of tussen de dakpannen en kan ik verder slapen helemaal op mijn buik schrijven.
De eerste keer dat hij zich laat horen valt me op dat hij zijn koeren afkapt alsof een roofvogel hem in de smiezen heeft en hij beter zijn snavel kan houden wil hij niet als ontbijt eindigen. De ochtenden daarna blijft hij zijn toespraak abrupt onderbreken. Met die dreiging zal het wel meevallen.
 
Je gelooft het niet maar in 2008 deed iemand promotieonderzoek naar het koeren van duiven. Het dient om het territorium te verdedigen of om vrouwtjes te lokken, stond er in een krantenartikel. De onderzoekster zei dat duiven één vast deuntje noten op hun zang hebben en dat ze soms midden in een ‘zin’ stoppen. Waarom ze dat doen was haar niet duidelijk.
Het kan een spraakgebrek zijn denk ik. Al weet ik ook dat niet zeker want ik spreek geen duifs.

Afl. 35 Vriendschap

23-06-2019


Sinds de brugklas waren we vriendinnen. Soms hadden we een andere smaak, vaker dezelfde gedachten en opvattingen. We lachten heel wat af. Later trokken we er samen een paar dagen of weken op uit. We boden een troostende schouder bij verdriet of pijn en wisten het zeker: onze vriendschapsband gaat ons leven lang mee.
 
Bijna vijf jaar geleden, na afloop van een weekje samen op een vakantie waarin mijn burn-out steeds duidelijker werd, knapte die band. Ze zei dat ze alleen nog ergernis voor me voelde. Mijn pogingen om het uit te praten liepen dood.
 
Achteraf vielen de stukjes op hun plaats. We zagen elkaar hooguit een paar keer per jaar. De afstand was te groot om even aan te wippen. Telefoongesprekken werden korter en oppervlakkiger. Samen lachen deden we nog weinig. We praatten langs elkaar heen of luisterden maar half. Tegen beter weten in deed ik of er niets aan de hand was. Zij misschien ook. Ik slikte teleurstellingen weg, bang haar vriendschap te verliezen. In plaats van toenadering, troost en medeleven, kwamen oordelen en verwijten. Ergernissen en onbegrip roerden zich. Boosheid over de keren dat ik niet terwijl zij juist wel, of dat zij zelden en ik te vaak. De warme verbondenheid van 44 jaar bekoelde en verbrokkelde. We stonden erbij en keken ernaar.
 
Het grootste deel van mijn leven zat ze diep in mij verankerd. Er waren jaren voor nodig om de delen van mijn hart min of meer aan elkaar te lijmen. Hier mist nog een stukje, daar zit een scheur.  
 
Als we wél genoeg met elkaar waren blijven praten, delen en meeleven, was de vriendschap uiteindelijk wellicht ook op de klippen gelopen. Alleen was de kans dan kleiner dat ik ‒ en zij misschien ook ‒ na afloop niet zo lang was blijven zitten met onbeantwoorde vragen en ontevreden gevoelens. Vriendschap is niet vanzelfsprekend, mensen veranderen nu eenmaal.
 

Afl. 34 Landarbeiders

16-06-2019

Op een akker zitten mensen op hun knieën aardbeien te plukken. Een vrouw kijkt op. Ze wrijft een lok van haar voorhoofd.
Het tafereel doet me denken aan de drie schoolvakanties waarin mijn zus Rianne en ik ook zo zaten te zwoegen. Twaalf was ik, toen ik in 1970 voor het eerst om zes uur opstond en onze moeder brood smeerde en ranja in een glazen limonadefles schonk. Plastic flessen kwamen jaren later. Daarna fietsten mijn zus en ik naar het boerenbedrijf waar we tegen zeven uur begonnen met het plukken van bonen, bessen of aardbeien. Of mijn twee broers er ooit bij waren, ben ik vergeten.
In mijn herinnering werden deze dagen gedomineerd door twee soorten weer. Je had hoosbuien waarin we vanwege het geploeter door de modder ook onder onze regenkleding zeiknat werden, of de zon verschroeide genadeloos onze nek en ons gezicht. Geen wonder dat mijn vel na de eerste verzengende ochtend knalrood was en een paar dagen later begon te bladderen. Verder krioelden er onvoorstelbare hoeveelheden ‒ soms reusachtige ‒ spinnen en andere insecten onder onze kleding, meestal op plaatsen die we nét niet konden bereiken.
Daar zat ik. Nat van regen, zweet of beide. Nek en gezicht verschroeid, pijn in rug en knieën en overal kriebelende, bijtende en stekende beestjes. Waar ik ieder halfuur een kwartier nodig had om bij te komen, werkte Rianne stug door. Tegen de middag gingen we meestal naar huis. Mijn zus had altijd meer kisten vol geplukt dan ik. Na een paar dagen hield ik het voor gezien, Rianne na een paar weken.
Op mijn vijftiende kwam er eindelijk leuk vakantiewerk: ik kon terecht in de supermarkt van V&D in Roosendaal. Daar was het droog, koel en insectenvrij. De zon kon mijn huid niet teisteren en achter de kassa, comfortabel op een stoel, hadden mijn rug en knieën weinig te lijden.


 

Afl. 33 Het evangelie van Loesje

09-06-2019

Wanneer ik ergens een spreuk zie, lees ik hem. Er kan er zomaar een tussen zitten die een glimlach op mijn gezicht tovert.
Drie van de spreuken van Loesje hebben mij in het verleden net die duwtjes in de rug gegeven die ik in de periode dat mevrouw Zwart in mijn hoofd huisde, goed kon gebruiken: Het is zo donker dat ik overal lichtpuntjes zie, Af en toe moet je je leven ondersteboven houden om te zien of er nog meer in zit en – mijn favoriet – Als jij durft, volgt de toekomst.

Veel mensen vinden troost in opbeurende liedjesteksten. Marco Borsato is er groot mee geworden. Toch kunnen sommige woorden je van de regen in de drup helpen. Wat te denken van wat Ramses Shaffy ooit zong: Laat me mijn eigen gang maar gaan, laat me, ik heb het altijd zo gedaan.
Als je net als Ramses weinig ophebt met veranderingen, houd er dan tenminste rekening mee dat als je steeds hetzelfde doet, het resultaat ook even vaak hetzelfde is. En wanneer die uitkomst altijd vervelend is, schiet je er natuurlijk geen donder mee op.   

Soms zijn een paar regels uit een liedje mooi en slaat de rest van de tekst nergens op. Geef mij daarom maar het rijke evangelie van Loesje, met zijn luchtige, bemoedigende psalmen. Nee, ik sla geen godlasterende taal uit. Evangelie en psalm betekenen vrij vertaald uit het Grieks ‘goede boodschap’ en ‘poëzie.’
Neem nou deze spreuk: Mensen die hun verdriet proberen te verdrinken, moeten bedenken dat verdriet kan zwemmen.  
Of deze, voor benepen geesten: Een wijde blik verruimt het denken.
Voor de pessimist: Maak u regelmatig even geen zorgen.
En tot slot voor iedereen: In een dwarsstraat kom je vaak de mooiste dingen tegen.
 
Wedden dat je nu grinnikt of glimlacht? Of aan het nadenken bent?

 

Afl. 32 Gesmeerd

02-06-2019
Hier schrijft een gelukkig mens. Wat was het vorige week zaterdag een fantastische middag tijdens de presentatie van Zonnemeisjes. Zestig aanwezigen met bloemen, gelukwensen, cadeautjes en lieve woorden.

De dagen ervoor kakelde Miepje in mijn hoofd door een megafoon dat ik met vlekken in mijn hals en klotsende oksels voor een handjevol mensen zou zitten stotteren en dat ik zowel plot als namen van de personages zou vergeten. Wat zat ze er lekker naast.

Op de bewuste zaterdagochtend werd ik uitgerust wakker. Het verbaasde me dat het in mijn hoofd zo rustig bleef. Natuurlijk was ik een beetje opgewonden, dat hoort erbij. Tijdens de lunch met vrienden zat ik af en toe op de binnenkant van mijn wangen te kauwen in plaats van op de boterham met gegrilde groente. In de bieb had ik gedurende het voorlezen uit mijn boek last van een droge keel en tijdens het signeren schreef ik een paar keer de verkeerde datum. Maar wat genóót ik van alle aandacht. Iedereen was voor mij gekomen! Mijn zelfvertrouwen kreeg een ongekende oppepper. Ik voelde me zowel dankbaar, ontroerd als blij.  

Mede dankzij medewerkers van bieb, boekhandel Het Verboden Rijk, literaire stichting De Witte Roos, vriendin annex koffieschenkster Diny en interviewer Joost, verliep de hele boel gesmeerd. Als je je gasten zelf niet van een consumptie hoeft te voorzien en ook niet zelf een verhaal in elkaar hoeft te flansen om voor te dragen, gaat het allemaal een stuk makkelijk. De boekhandel was al snel door de voorraad meegebrachte Zonnemeisjes heen en ik kreeg zowaar stramme vingers van het signeren. Geweldig!

Het eerste deel van mijn wens is in vervulling gegaan. Om het tweede deel uit te laten komen, ben ik naast mijn eigen inzet afhankelijk van lezers en geluk: een hele hoop boeken verkopen. En daar kan ik alle hulp bij gebruiken…

 

Afl. 31 Hobbels

19-05-2019
Onderweg naar de doop van Zonnemeisjes stuit ik op een paar hobbels. De boeken worden een dikke week later dan afgesproken geleverd. Bij Centraal Boekhuis – de club die ze naar boekhandels verstuurt – raakt een deel van hen korte tijd zoek. Het e-book verschijnt later dan gepland op de websites van boekhandels. Gebeurt vaker, zegt uitgever Michelle. Alles komt goed.

Zelf is me ontgaan dat de pagina met opdracht aan mijn zus en een vriendin niet in Zonnemeisjes is opgenomen. Ik heb hun beloofd dit bij mijn volgende boek recht te zetten. Nu wil ik niemand onder druk zetten, maar een opvolger kan er alleen komen als er – liefst heel veel – herdrukken van mijn debuut komen. Zus en vriendin blij, uitgever blij, mijn tegen die tijd hopelijk vaste lezersschare blij en ik het blijst van iedereen :-)

De hinderlijkste hobbel is Miepje. Het betweterige wicht dat zich soms hinderlijk in mijn hoofd ophoudt, laat me een paar keer per dag genadeloos horen wat op 25 mei allemaal mis kan gaan. Wat als de bibliotheek waar de presentatie wordt gehouden afbrandt? vraagt ze met schrille stem. Of dat er maar een handjevol mensen op komt dagen en de meesten geen boek willen kopen? Wat als je struikelt en een been breekt. Of een arm. Of flauwvalt, niet uit je woorden komt, van de zenuwen in je broek piest, hysterisch begint te lachen of te huilen? Of dat je hart het begeeft?
Je vergeet een terroristische aanslag, zeg ik. Ze kijkt me aan met een priemende blik.
En nog wat, zeg ik. Wat als alles goed gaat? Ze haalt haar schouders op en heel even weet ze niets uit te brengen. Het gaat gewoon lukken, zeg ik. En het wordt leuk. Ik herhaal de woorden keer op keer. Want Miepje blijft hardnekkig in mijn hoofd toeteren.
 
Volgende week geen blog, ik sla een keertje over.

 

Afl. 30 Karel

12-05-2019
Gezelschap heb ik – naast bezoekjes van vrienden en familie – ook graag in de vorm van een inwonend poezenbeest. Katten zijn grappige en elegante dieren. Sommige kwebbelen terug wanneer je iets tegen ze zegt. Bovenal zijn het goede luisteraars. Het maakt ze niet uit wat je beweert, zolang het maar op een vriendelijke toon gebeurt.  

Na de dood van Teo is het in mijn huis een paar dagen akelig stil, zonder trippelende pootjes op het laminaat. Ik voel me ’s avonds alleen, zo zonder warm kattenlijf op schoot. Op de website van het asiel vind ik Daantje. Een naam die ik nog voordat ik mijn aanstaande huisgenoot heb ontmoet, omdoop in Karel. Een stoere naam voor een stoere, onlangs gecastreerde zesjarige kater.  

Geeuwend staat hij op uit zijn mandje. Hij is liever lui dan moe, beweert de medewerkster van het asiel, terwijl Karel me begroet met een kopje tegen mijn been. Een handeling die voor mij meteen de overdracht bezegelt.

Thuis begint hij alles uitgebreid te besnuffelen. Waar Teo netjes opgekruld op de bank lag, drapeert Karel zich als een slordig neergekwakt kledingstuk over de rugleuning. De tweede dag komt hij naast me liggen en snort wanneer ik hem aai.

Vandaag gooi ik een nepmuis door de kamer. Hij schiet erop af als een tijger die een prooi op de hielen zit, rent er voetballend mee door de kamer en vliegt voortdurend de bocht uit op de gladde vloer. Ik moet opletten dat ik niet over hem struikel, bij voorkeur loopt hij voor mijn voeten. Terwijl Teo bij wijze van spreken met mes en vork at, begraaft Karel zijn kop in het natvoer.

Het is wennen aan elkaar. ’s Avonds op schoot voor de tv zitten wil hij nog niet. Gelukkig is hij lief en aanhankelijk. Net als ik. Dat zit wel snor.

 

Afl. 29 Teo

05-05-2019
Dinsdagavond. Onder de bank ligt het propje papier waarmee je voetbalde. Of je liet het bij me op de vloer vallen. Gooi ‘ns weg, betekende dat. Je haren op het vloerkleed en de stoel waarin je lag, worden de Miele ingezogen, je laatste tastbare restjes. Wat overblijft zijn leegte en herinneringen. Krassen van je nagels in de schutting. Foto’s op mijn telefoon en het bureaublad van mijn laptop.
Een ekster pikt de overgebleven brokjes op die ik over het tuinpad heb gestrooid.
Ik ga in mijn stoel voor de tv zitten en leg mijn handen in mijn schoot, waar ze tot gisteren op jouw warme rug rustten.

Dinsdagochtend. Ik werp het propje papier door de kamer. Je kijkt ernaar zonder in beweging te komen. Een stramme oude man van bijna zestien. Met lange tanden eet je het brokje in mijn hand. Meer om mij een plezier te doen dan dat je trek hebt. Je blik is uitgeblust. Ik kan het niet langer uitstellen. Het is tijd om je te laten gaan. Je zou niet zeggen dat jij ooit in de aanvliegroute van broedende gierzwaluwen vanaf een strategische plek als een acrobaat een vogel uit de lucht hapte om hem levend en ongeschonden aan mijn voeten te leggen. Waarna ik de gierzwaluw vanaf het keukendak de vrijheid teruggaf en je uitkijkpost barricadeerde.

Dinsdagmiddag. Je kopje ligt in de kromming van mijn arm. Het spuitje heb je niet in de gaten. De dierenarts zegt dat je helemaal op bent. Ik aai je rug. Je snort. En weg ben je. Terug naar de hemel. 

Ik geloof in engelen. Dat ze een tijdje bij je blijven en je helpen door er alleen maar te zijn. Meer is er soms niet nodig. Een enkele keer komen ze vermomd als kat. Jij was een van hen. Ik noemde je Teo.


 

Afl. 28 Witte benen

28-04-2019
Afgelopen Pasen was het rokjesweer. En dus liep ook ik met gedeeltelijk ontblote benen in het zonnetje.
‘Ze zijn erg wít,’ liet iemand zich ontvallen. ‘Ze zijn juist hartstikke bruin,’ wilde ik zeggen, maar zweeg. Soms denkt iemand dat ik die bewering meen en begint me van zijn of haar gelijk te overtuigen. Zó vermoeiend.

Het valt me op dat mensen die het over de kleur van mijn benen hebben, zelden opmerken dat ook mijn armen en gezicht aan de bleke kant zijn. En dat ze vaak een toon aanslaan alsof ik me voor die witheid moet schamen, dat mijn bleke benen net zo grappig zijn als iemand met twee hoofden, of gewoon lelijk omdat een gebronsde huid nu eenmaal in de mode is. Weinig pigment is geen excuus.
Een oud-collega bracht het origineel. ‘Leuke rok,' zei hij, 'jammer van die witte kousen eronder.’
‘Krijg jij wel eens te horen dat je erg bruine benen hebt?’ vroeg ik ooit op een terras aan een vriendin van Surinaamse afkomst.
Ze schudde haar hoofd. ‘Maar ze zijn nu een beetje wit uitgeslagen omdat ze droog zijn.’
Ik bekeek mijn eveneens droge benen. ‘Dat valt bij mij niet op omdat ze toch al wit zijn.’ We lachten. Ieder nadeel heeft zijn voordeel.

Begin jaren tachtig heb ik bijna drie maanden met een vriendin door Azië en Australië gereisd. We droegen korte broeken en rokken. De temperatuur lag vaak rond de dertig graden en de zon liet zich bijna dagelijks zien. Bij terugkomst in Nederland kreeg mijn zwager mijn kennelijk opvallend witte benen in de gaten want hij vroeg: ‘Heeft het daar zo vaak geregend?’

Tegenwoordig heb ik een vaste reactie paraat wanneer iemand zich weer eens geroepen voelt een opmerking over mijn bleke stelten te maken. Beter witte benen dan geen benen. Waarna ze meestal met hun mond vol – al dan niet witte – tanden staan. 
 
 

 

 

Afl. 27 Zwarte vingers

21-04-2019
De jaarlijkse lentebeurt. Mijn tuin was er nodig aan toe. Ik niet. Begrijp me niet verkeerd, ik hou van mijn tuin. Als de aarde aangeharkt en onkruidvrij is, de planten in model zijn geknipt en in uiteenlopende kleuren bloeien. Wanneer vlinders, hommels en bijen van bloem naar bloem dartelen.
Maar. Om dat zo te krijgen en te houden moet ik onkruid wieden en snoeien. En als er weer eens planten ten prooi zijn gevallen aan winterkoude, verkeerde standplaats of onjuiste behandeling, zit er niets anders op dan ze eruit te snokken en ze een geschikter plekje te geven of te vervangen door nieuwe aanplant.
Ik heb gelezen dat je van tuinieren tot rust komt. Je maakt namelijk direct contact met de helende werking van moeder natuur. Nou, wat na een uur wroeten in moeder aarde bij mij tot rust wil komen zijn mijn vingers, stram geworden van overmatig onkruid eruit trekken en snoeien met een schaar die al jaren nodig geslepen en geolied moet worden. Met al dat snoeien, (ver)planten, wieden en schoffelen schijn je per uur zó een paar honderd calorieën te verbruiken. Ook komen er stofjes vrij die je weerstand verbeteren doordat ze je immuunsysteem versterken.
Allereerst hoef ik niet af te vallen en het enige wat dat sloven versterkt is – naast de stramheid van mijn vingergewrichten – de pijn in mijn rug omdat ik nooit een goede houding weet te vinden.
Je hebt mensen die dól zijn op tuinieren en beweren dat ze zich door al dat zwoegen lekker kunnen ontspannen. Zij hebben groene vingers. Zelf ontspan ik het beste als ik achterin de tuin zit en geniet van al die mooie bloemen en planten. Wanneer ik tijdens de jaarlijkse lentebeurt de aarde van mijn vingers wrijf en ze bekijk, zijn ze toch echt gewoon zwart.


 

Afl. 26 Voordelig dagje Delft

14-04-2019
‘Dan gaan we toch op je verjaardag,’ stelt een vriendin voor als ik zeg dat de NS-aanbieding tot eind april geldig is. En dus stop ik op 6 april naast het kaartje voor mijn vrije reisdag en voordelig meereisretour, ook drie kortingsbonnen in mijn tas. Op het station van Delft verzilveren we de eerste: warme drank met een croissant, twee voor de prijs van een. Je kunt maar beter met een voldaan gevulde maag een toeristische stad bezoeken.

Delft is overzichtelijk en klein. Binnen een paar minuten kuieren we het centrum in. De door het KNMI beloofde zon laat het afweten. We lopen langs grachten en winkels vol Delfts blauwe frutsels en afbeeldingen van Vermeers uitgemolken Melkmeisje. De vriendin zegt dat onze woonplaats Roosendaal ook iets heeft wat uitgemolken kan worden om meer toeristen te trekken. Ze komt er even niet op wat dat ‘iets’ is.

We bezoeken de Oude Kerk. De Nieuwe. Beklimmen de 376 treden van de toren en dalen ze af. Het levert ons trillende benen en spierpijn op. Na de lunch strijken we neer op een terras langs een gracht. De zon is tevoorschijn gekomen. We knabbelen aan een taartje. Een defilé schuift langs het bordes op mijn eigen koninginnedag. Ik onderdruk de neiging tot minzaam wuiven naar het volk.

De volgende bon bespaart de prijs van het tweede kaartje voor een rondvaart. We zijn niet de enigen die er op deze manier voordelig de boot mee ingaan. We varen langs het voormalig gekkenhuis. De stuurvrouw annex gids annex TU-studente vertelt dat er tegenwoordig studenten wonen, waarmee de functie van het gesticht volgens haar nog steeds hetzelfde is.

Terug op het station trek ik de derde bon tevoorschijn. Het is vijf uur. Aan de vroege kant voor het avondeten. Toch laten we ook deze korting niet liggen: frites met een snack. Je raadt het al. Tweede halve prijs.

 

Afl. 25 Overdosis

07-04-2019
‘Selecteer week- en maandbladen die interessant zijn voor jou en je doelgroep en stuur er twee maanden voor verschijningsdatum een persbericht naartoe,’ lees ik in het marketingplan dat uitgeverij Paris Books voor Zonnemeisjes heeft gemaakt.

En dus koop ik bij de boekhandel acht vrouwenbladen. Boeken die in mannenbladen worden besproken zijn vaak van schrijvers als Dan Brown en Stieg Larsson. Of ze gaan over het al dan niet sneue leven van een mannelijke sportheld. Niks mis mee, maar het is niet mijn genre.

Thuis installeer ik mij op de bank, leg de bladen op een stapel naast me en begin te lezen. Na een half uur jolige jurkjes, make-overs en een paginagrote foto van een blote vrouw met gladgeschoren foef, concludeer ik dat Flair en VIVA voor twintigers en dertigers zijn die een hoop aan seks doen en minder aan boeken lezen. Blad na blad volgt, artikel na artikel, kop na kop. Al die tijd leidde hij een dubbelleven. Boos worden is prima. Rimpelkop of botoxbakkes. In vrijwel ieder blad de onvermijdelijke kook-, mode en beautypagina’s. Plus, Margriet, Libelle en de rest besteden in meer of mindere mate aandacht aan boeken, maar mijn roman past er niet altijd tussen. De dikke Happinez en Linda doorlezen kost meer tijd. Behalve veel foto’s, waaronder die van een vrouw met een opgespoten eendenbek op de plaats waar haar mond hoort te zitten, serveert Linda de lezer twee volle pagina’s leesvoertips. Hulde!

We zijn een halve dag en drie mokken thee verder. Ik kan geen reclame voor antirimpelcrème, beha of hebbedingetje meer zien. Mijn hoofd tolt van de overdosis praktische en gezellige artikelen. Het is net als toen ik vroeger een rol Pims achter elkaar opat. Gemiddeld duurde het een jaar voordat ik geen zure oprispingen meer kreeg wanneer ik ze bij de supermarkt zag liggen.

 

Afl. 24 Verhuftering

01-04-2019

Een oud-collega vroeg me een aflevering van mijn blog te wijden aan de toenemende verhuftering van de maatschappij. Ik ben vergeten te vragen wat de oud-collega onder ‘toenemende verhuftering’ verstaat. Doelt hij op taalgebruik? Honderd jaar geleden was je een verwerpelijk sujet en tegenwoordig word je een klootzak genoemd, wat volgens mij op hetzelfde neerkomt.
 

Denkt hij aan al die mensen die ongevraagd en onbeschoft overal hun mening laten horen? Oké, halverwege de vorige eeuw moesten we het met krant, radio, tv en lokale roddelbrigades doen. Intussen is er Facebook, Twitter, Youtube en de rest van de sociale media waarop echt iedereen zijn verbale scheten kan trompetteren. Onveranderd is dat veel argeloze zielen nog steeds denken dat alles wat ze zien, lezen en horen de waarheid is.
 

Stelt de oud-collega zich gewelddadige overvallers op winkels en oude vrouwtjes voor en dat we die strenger moeten aanpakken? Vroeger werden struikrovers als afschrikwekkend voorbeeld langs de kant van de weg opgehangen. Een leuk gezinsuitje, vooral als de doden al een poosje hingen te rotten. Was dat nou veel beter?
 

Het kan zijn dat de oud-collega het over afval heeft. Ja, aan al dat plastic in het milieu moeten we met ons allen echt iets doen. In greppels liggen duizenden vaten chemische prut die als grondstof dient voor de drugs waar festivalgangers en andere feestnummers zo dol op zijn. Maar, wat zou er in de grond zitten onder de vuilnisbelten die intussen onder een laag zand zijn weggemoffeld? Of in het oppervlaktewater waar bedrijven van alles op loosden?
 

Misschien springen vervuiling en moreel verval tegenwoordig meer in het oog omdat we er de hele dag over kunnen zien, horen en lezen. En omdat Nederland in 1900 vijf miljoen inwoners telde, en we elkaar vandaag de dag met zeventien miljoen mensen op dit hele kleine stukje aarde geregeld voor de voeten lopen en in de haren zitten.
 

Bedoel je dat, Herman?

 

Afl. 23 Bomenknuffelaar

25-03-2019
Ik knuffel met bomen. Niet met zomaar een willekeurig exemplaar, wat denk je wel. Van slangendennen – ook apenbomen genoemd – moet ik niets hebben. Aan mijn omhelzingen wil ik geen littekens overhouden. Ook een opgetooide kerstboom laat ik ongemoeid.

Doe mij maar een beuk. Bij voorkeur een eeuwenoude, met kaarsrechte gladde stam waar dwazen en verliefden – wat vaak op hetzelfde neerkomt - sinds jaar en dag hun naam in menen te moeten krassen.

Wanneer ik oog in stam kom met zo’n statige kanjer, kan het zomaar gebeuren dat ik mijn armen eromheen sla, mijn wang er tegenaan vlei of er een kus op druk. Alleen als niemand me ziet hoor, met uitzondering van de persoon met wie ik op dat moment in het bos loop. Die weet meestal dat ik de neiging heb om ongegeneerd genegenheid voor deze roodbruin gekruinde woudreus te tonen. En soms voor een andere monumentale boom die mijn aandacht trekt.

Ik sta niet alleen in mijn liefde voor deze natuurwonderen op stam die ons van zuurstof – en dus leven – voorzien. Een paar dagen geleden zag ik een vrouw haar oor te luisteren leggen tegen de stam van een berk. ‘In de lente kun je de sapstroom horen,’ zei ze. Ze kwam rechtop staan. ‘Maar nu is het nog stil. Te vroeg in het jaar.’

Voor de Kelten waren bomen heilig. Inwoners van Bergen op Zoom koesteren een imposante plataan in het stadscentrum, de dikke boom. In de Efteling staat een sprookjesboom en in de middenberm van de A58 bij Ulvenhout prijkt – zolang het duurt – een knuffeleik. Ik bedoel maar.

Met je rug tegen een stam – of wanneer je uitrust onder het dak van bladeren – kun je de voedende energie van een boom voelen.  Leun achterover, sluit je ogen en geef je eraan over. Misschien geven de bladeren je wel een paar extra pufjes zuurstof. Probeer het maar eens.

 

Afl. 22 Mode

18-03-2019


Om de een of andere reden doen jongeren soms alle mogelijke moeite om er zo onaantrekkelijk mogelijk bij te lopen. In mijn tienertijd waren boerenklompen een tijdje in. Net als maxirokken in legerkleuren en ribfluwelen tuinbroeken. We droegen een geruit overhemd van onze vaders, al dan niet met een of meer los geknoopte stropdassen. Aan de andere kant begonnen hormonen op te spelen en wilden we zo verleidelijk mogelijk voor de dag komen. Alleen liggend konden we ons in die te strakke spijkerbroek wurmen. Sommige meisjes droegen rokjes waarin ze niet konden bukken zonder dat hun slipje te zien was. En shirtjes zo strak dat ze er ademnood van kregen. Dat is niet veranderd.
In de afgelopen jaren raakt de zwerverslook in de mode. Slobberbroeken. Slungels van jongens met het kruis op de knieën en de broekband tot onder de heupen waardoor een stuk van hun boxershort er bovenuit piept. Ze lopen op sneakers met losse veters zodat ze ieder moment voorover op hun gezicht kunnen pletteren. Meisjes in flodderkleding vol vouwen en kreukels om het geheel nog minder flatteus te maken. Versleten legerkisten onder vale rokken met rafelranden. Om maar te zwijgen van de tot op de draad versleten broeken met scheuren en gaten.
En dan de kapsels. Zwart piekhaar. Kaal. Blauwe hanenkammen. Groene, paarse of roze slierten om veilig je gezicht – met zwarte lippenstift en dikke mascara – achter te verbergen.
Ik snap het wel. Ontwikkel je als puber eindelijk een eigen mening, beginnen volwassenen er moeilijk over te doen. Ze snappen gewoon niets van je. De enige remedie die je als jongere hebt, is je daartegen afzetten. Deden wij vroeger ook.
Het is wachten op een nóg uitdagender kledingstijl. Witte overalls met verfvegen. Werkbroeken vol brandgaten en opgedroogde poep. De ultieme manier om niet alleen in kleuren, maar ook in geuren te laten merken dat je overal schijt aan hebt.  

 

Afl. 21 Aswoensdag

10-03-2019
Vorige week zaterdag wurmde ik me tijdens de carnavalsoptocht – ik woon in het epicentrum– tussen de omstanders door. Stilstaan is niets voor mij. Ik duwde zacht een beer in de flank en stond kort lepeltje-lepeltje met een banaan op klompen. Zelf liep ik uitgedost in mijn dagelijkse burgerkleding. Na de middelbare school heb ik geen carnaval meer gevierd en houd ik het bij kijken naar de optocht en naar de mensen die langs de kant staan. Dat vind ik soms net zo vermakelijk.
Intussen heeft oog’eid Prins Markus I van Roosendaal zijn prinsenpak in de kast gehangen, is Malou afgezwaaid als nar en is sjampetter Rinus weer wiskundeleraar. De rust is teruggekeerd.
Op woensdag vormden op de Markt bergen lege plastic glazen, frietbakjes, slingers en confetti de verregende herinneringen aan het jaarlijkse leutfeest. Er reed een bezemwagen, voor de kroegen laadden mannen lege fusten in vrachtwagens met logo’s van biermerken. De toiletwagen was verdwenen, net als de mobiele frietkraam.
Ik vraag me af hoeveel carnavalsvierders op Aswoensdag naar de kerk zijn gegaan voor een askruisje. En wie zich de komende veertig dagen gaat wijden aan bezinning en vasten. Waarschijnlijk weten de meesten niet eens wat de oorsprong is van carnaval. Of van Aswoensdag. Ik eerlijk gezegd ook niet meer. Als leerling van een katholieke lagere school kwam ik op Aswoensdag zonder askruisje de klas niet in. In de zesde klas zei ik de avond ervoor tegen mijn moeder dat ik geen zin had om een halfuur eerder mijn bed uit te komen om naar de kerk te gaan. Mijn moeder was wars van opgelegde religieuze rituelen. De volgende ochtend duwde ze haar vinger in de volle asbak – in die tijd pafte ze er flink op los - en plantte een zwarte veeg op mijn voorhoofd met de as van de peuken van haar Caballero zonder filter. Niemand die het verschil zag.  

 

Afl. 20 Krakende wagens

04-03-2019
Herken je dit? Je stapt 's morgens uit bed en merkt dat een deel van je spieren en botten 's nachts door je lichaam is gaan dwalen. Zodra je even hebt bewogen valt de boel gelukkig terug op zijn plaats. Of dat je je leesbril in de koelkast hebt gelegd in plaats van op de tafel. De meesten van ons krijgen vanaf een bepaalde leeftijd lichamelijke narigheid en gedoe met het denkvermogen te verduren. Heet dat niet: ouderdom komt met gebreken?

Halverwege februari kreeg ik mijn jaarlijkse aanval van uitmestwoede. Meestal is dat ergens in april. Door de opwarming van de aarde is ook mijn biologische opruimklok van slag denk ik. Een grote boodschappentas van stevig plastic had ik vol boeken geladen. Ik ben geen krachtpatser. Het kostte me heel wat moeite om de tas - die minstens driehonderd kilo woog - de kamer door te slepen. De volgende dag was het onderste deel van mijn ruggengraat voor mijn gevoel een halve slag gedraaid. Wekenlang liep ik rond alsof ik een volle luier had. Toen maakte ik een afspraak met een fysiotherapeut, die de tegendraadse wervels op hun plek wrikte en mijn starre spieren los wreef.

Vaak maak ik op zondagochtend een boswandeling met Malika. We kennen elkaar van een cursus in ontspannen. Zij had een akelige ziekte achter de rug, ik mijn tweede hartinfarct. Om te voorkomen dat we tussen de sparren en berken over pijntjes en kwaaltjes gaan zaniken, beginnen we de wandeling met vijf minuten therapeutisch zeuren, waarna we genieten van dennengeur, een briesje in ons gezicht of de sierlijke vlucht van een roofvogel waarvan we de naam niet kennen.

Die vijf minuten klaagtijd is een echte aanrader als je thuis een chronische zeurpiet hebt rondlopen. Of wanneer je er zelf een bent. Wat soms ook helpt is hardop zeggen: krakende wagens lopen het langst.

 

Afl. 19 Allemaal familie

25-02-2019
Stel je voor. Je ziet iemand met net zo'n  haakneus als die van je moeder. Of met hetzelfde waggelloopje als dat van je broer. Dan kun je vragen: Ken ik jou niet ergens van? Vaak doe je het niet, bang om vreemd aangekeken te worden. Dat gebeurt al snel als ze van het andere geslacht zijn. Voor je het weet denken ze - meestal ten onrechte - dat je ze wilt versieren.

Ik heb aardrijkskundeles gehad van een achterneef van me. Zijn oma was geloof ik een zus van mijn oma van vaders kant. En ik heb een oud-collega die Meesters heet. De opa van zijn opa was een broer van de opa van mijn opa. Of zoiets.

Na een bezoek aan mijn laatst overgebleven tante werd ik nieuwsgierig naar mijn twee stambomen. Mijn jongste broer heeft die van mijn vader ooit online gezet. Elf generaties Meesters met hun echtgenotes: Potters (mijn moeder), Vissenberg, De Kok, Van Dijk, Van den Broek, Dietvorst, Eemans, Huijbrechts de Vreught, Boot en Cornelis. De oudst bekende voorvader was Hendrik, geboren in 1580. De naam van zijn vrouw is onbekend. Deze brave Hendrik was trouwens ook de stam-betovergrootvader van een familie Melissen.

Aan mijn moeders kant kom ik wat oma's betreft niet verder dan Van Breugel en Callaars. Die laatste trouwde mijn overgrootvader Hendrikus in 1888. De Potters hebben tot het einde van de zestiende eeuw vast ook zo'n elf generaties geteld. Stel je voor dat ik van beide stambomen alle vrouwelijke namen erbij zou zoeken. En die van hun broers en zussen en al hun partners en kinderen. Dan kom je met de gebruikelijke kroostrijke gezinnen van de afgelopen vier eeuwen al snel aan honderden, misschien wel duizenden achternamen, die samen een uitgestrekt oerbos vol stambomen vormen met weet-ik-hoeveel zijtakken uit alle windstreken. Voor mij is het duidelijk. Ergens zijn we allemaal familie van elkaar.

 

Afl. 18 Zonnemeisjes

18-02-2019
Mijn debuutroman Zonnemeisjes komt eraan!

Draaf nou niet meteen naar de boekhandel en wacht met klikken op Bol.com. Het duurt maanden voordat mijn eerste Meesterswerk in gedrukte vorm en e-boek verschijnt. Een redacteur loopt de tekst op foutjes en onduidelijkheden na, de uitgever buigt zich over een marketing- en persplan. Zonnemeisjes heeft een aanlokkelijke cover nodig met een pakkende flaptekst en een flatterende foto van mij. De lay-out van de tekst is belangrijk – net als de druk – en er is een ISBN-nummer nodig. Zo zijn er meer dingen die geregeld moeten worden.

Dat ik aardig kan schrijven weet ik sinds de middelbare school. Haalde ik voor veel vakken zelden hoger dan een 7 – ik was gemakzuchtig – met mijn opstellen scoorde ik geregeld een 9. Een vriendin/klasgenote suggereerde dat ik schrijver zou kunnen worden. Dat proces heeft een jaar of veertig in beslag genomen, en binnenkort volgt eindelijk de bekroning. Eerdere schrijfsels waren – gezien de vele afwijzingen die ik ontving – kennelijk te zwak om uitgegeven te worden. Ik heb me er niet door uit het veld laten slaan. Aan het einde van mijn leven wil ik geen spijt hebben van iets wat ik graag had willen doen of zijn, maar waar ik te weinig moeite voor heb gedaan.

Waar Zonnemeisjes over gaat? Over jaloezie, spijt, vermeend seksueel misbruik en over een oud-buurjongen die manieren bedenkt om geld van de hoofdpersoon af te troggelen.

Nee joh, het is geen saaie of zware kost. Vaste lezers van mijn blog weten dat ik me van een luchtige schrijfstijl bedien. Toch kan het zomaar zijn dat Zonnemeisjes je hier en daar zal raken of ontroeren. En dat de verhaallijnen je verrassen.

Nieuwsgierig? Tegen de tijd dat de roman het levenslicht ziet, zijn jullie een van de eersten die ik het laat weten. En dan kun jullie alsnog naar de boekwinkel rennen of de link van Bol.com openen om het te bestellen. Graag zelfs.

 

Afl. 17 Big Brother

11-02-2019
Pas geleden schrok ik van een artikel waarin ik las dat niet alleen Google en consorten ons online volgen, maar dat ook overheidsinstanties onze wandel en handel digitaal tegen het licht houden. Google bewaart alle zoekopdrachten die ik heb gedaan, e-mails die ik heb verstuurd of reserveringen die ik heb gemaakt. En ga zo maar door. Buiten kan ik mijn kont niet keren zonder dat er beveiligingscamera's op me zijn gericht. Sommige zijn verdekt opgehangen en hebben gezichtsherkenningssoftware. Ik las dat we over een tijdje onze boodschappen in bepaalde winkels kunnen betalen met ons gezicht. Lijkt me verwarrend als je de helft van een eeneiige tweeling bent.

Nog even en het wordt hier net als in China. Steek ik op een dag de straat schuin over, ontvang ik de volgende dag een e-mail of sms'je van de gemeente. Dat ik toch moet weten dat oversteken in een kaarsrechte lijn dient te gebeuren. Dat ik er deze eerste keer met een berisping vanaf kom, maar dat mijn gezicht bij een tweede overtreding op een landelijke website met foto's van ongehoorzame burgers verschijnt. En heb ik het lef een derde keer de fout in te gaan, dan word ik gekort op mijn inkomen.

De staat die ons observeert, beoordeelt, veroordeelt en straft. Niets om je druk om te maken, beweren sommigen. Die camera's zijn goed voor de samenleving. Ze helpen om criminelen op te sporen of op het juiste pad te houden. Want als die lui weten dat ze in de smiezen worden houden, denken ze goed na voordat ze iets uit willen vreten.

Gelukkig weet de overheid niet dat ik als tiener een zak chips in een supermarkt uit het schap heb getrokken en half leeggegeten terug heb gelegd. Of dat ik in 4 havo met een paar klasgenoten jointjes heb zitten roken in het park.

Oeps. Dat weten ze nu dus wel..

 

Afl. 16 In de trein

04-02-2019
Bij het opruimen van een kast vond ik een foto uit 1994. Hij was gemaakt tijdens een reünie van de middelbare school waar ik in 1977 mijn diploma heb gehaald. Wat me opviel, was dat er 54 bleektoeten op stonden en geen enkel getint of donker gezicht. Misschien zaten er in de jaren zeventig op die school ook leerlingen met voorouderlijke wortels in een ander Europees land of misschien Indonesië, maar daar zal het bij zijn gebleven.

Toen ik vorige week de trein binnenkwam, belandde ik in een compartiment waar behalve ik, nog één volwassene zat. De rest van de reizigers bestond uit jongelui die in Rotterdam uitstapten. Waarschijnlijk studenten op weg naar hun opleiding.

Een van de redenen dat ik graag met de trein reis, is dat ik ongegeneerd gesprekken kan afluisteren. Naast me zat een meisje met mediterraans uiterlijk. Ze vertelde over haar recente bezoek aan Portugal, waar de familie van zowel haar vader als haar moeder vandaan kwam. Tegenover haar zat een bleke jongen met bruine krullen. Hij begon over de eetgewoontes van zijn moeder. Hoe het bestond dat ze als Duitse zo dol was op stinkende kazen, terwijl zijn vader er als Fransman een hekel aan had. Op de banken aan de overkant van het gangpad voerden een jongen van Midden-Afrikaanse afkomst en een meisje met een hoofddoek een discussie. Ondanks de kakofonie van omringend gekwebbel, meende ik op te maken dat ze het over microkredieten hadden. Een blond meisje bladerde door een studieboek vol ingewikkelde grafieken en diagrammen.

De verscheidenheid aan etnische afkomst van mijn medereizigers was niet het eerste wat me opviel. Waar ik me over verbaasde was het ontbreken van tablets, laptops, smartphones en koptelefoons bij de jongeren. De veertiger tegenover me was de enige die - met oortjes in - iets op zijn telefoon zat te lezen.


 

Afl. 15 Gareel

28-01-2019
Ik behoor tot de groep mensen voor wie het leven soms aanvoelt als het in elkaar zetten van een bouwpakket met duizend onderdelen. Het maakt niet uit hoeveel keer we de handleiding lezen: alles op de juiste manier monteren gaat ons zelden goed af. Ondanks dat zijn we vaak creatief, fantasierijk en enthousiast. We denken, zien, voelen, ruiken en horen van alles waar jij misschien weinig bij stilstaat. Kwaliteiten waar we ons nogal eens door laten afleiden en die ertoe kunnen leiden dat we veel praten, niet goed luisteren en ongevraagd onze gedachten en meningen delen. Een enkele keer komen woorden anders uit onze mond dan we bedoelen. Begrijpelijk dat je er wel eens genoeg van krijgt.

Af en toe valt iemand tegen ons uit. Dat voelt alsof de wereld vergaat. Ons hoofd wordt een snelkookpan waarvan we de drukregelaar even niet kunnen vinden. Het beste is ons kort terug te trekken om gedachten en gevoelens te ordenen. Lukt dat niet, dan kunnen we heftig reageren en krijgen we te horen dat we melodramatisch doen. Waarop wij ons schuldig en buitengesloten voelen en afhaken. Of de ander houdt het voor gezien.

Op papier kan ik aardig uit de voeten. Heerlijk, dat proces van schrijven, nadenken, schrappen en herschrijven. In gezelschap is er vaak maar één kans. Bezinnen op wat en hoe ik iets zeg, is er dus weinig bij. Trouwens, je zou raar opkijken wanneer ik een minuut denkpauze tussen twee zinnen zou nemen.

Ken je iemand zoals wij? Heb een beetje geduld met ons. Maken we er in jouw ogen een potje van? Veroordeel ons niet. Het is geen opzet dat we anders zijn dan jij. Kijk naar wat we wél overeenkomen. Zeg gerust wat je dwars zit. Maar hou het vriendelijk. Dan lukt het ons vast om een tijdje in jouw gareel te lopen. Niet altijd. Want net als jij willen ook wij het liefst onszelf zijn.

 

Afl. 14 Hamamelis

21-01-2019
Ik kom graag in het arboretum van Kalmthout in België. Deze tuin tussen Roosendaal en Antwerpen heeft een collectie van meer dan zevenduizend planten en bomen. In de lente vind ik het heerlijk om het jonge spul te zien ontluiken en aan bloesems te snuffelen. Op herfstdagen geniet ik van de prachtige rode en oranje tinten, terwijl mijn voeten zich hier en daar een weg banen door knisperende bladeren. Ik snuif de kruidige geuren op van paddenstoelen en van planten en bomen die zich voorbereiden op de winter.

Je zou denken dat de tuin er in de eerste twee maanden van het jaar maar een beetje moedeloos en kaal bijligt. Dat klopt. Vooral op een druilerige dag. Maar wanneer half januari de Hamamelis - ofwel toverhazelaar - tot bloei komt, weet je niet wat je ziet. Tenzij je een vaste bezoeker bent. Iedere natuurliefhebber valt stil, of - zoals ik - juist niet, bij het zien van zo veel kleur tussen al die andere struiken en bomen die nog diep in hun winterslaap zijn. De toverhazelaars zijn op hun fraaist op een dag met blauwe lucht en rijp op het gras, of een flinterdun laagje sneeuw. Dan komen de kleuren – die uiteenlopen van roestbruin tot felrood, geel en wit – het beste tot hun recht.

Toen ik afgelopen dinsdag voor de eerste keer dit jaar de tuin bezocht, zakte ik hier en daar enkeldiep weg in de modder. De lucht bestond uit honderd tinten grijs, af en toe miezerde het en het aantal struiken dat in bloei stond – voornamelijk de roestbruine variant – was op twee handen te tellen.

De laatste dagen begint koning Winter zich te roeren. En dus wil ik de Hamamelis binnenkort een tweede kans geven. Met mijn jaarkaart mag nog iemand gratis naar binnen. Zin om mee te gaan? Stuur me een bericht.

 

Afl. 13 Zoete Woorden

14-01-2019
Woensdag heb ik The Children Act gezien. Een film waarin een Engelse rechter in overeenstemming met de wet besluit een verzoek van artsen in te willigen om bloedtransfusies toe te dienen aan de op drie maanden na volwassen, doodzieke zoon van Jehova’s Getuigen. Dit om het kind tegen diens ouders, godsdienst en zichzelf te beschermen. Maar niet tegen de gevolgen van het vonnis voor de jongen, zoals later is te zien.

Met de discussie over de Nashville Papers vers in het geheugen, wilde ik mijn blog over de uitwassen van religie laten gaan. Over dat godsdienst en nadenken niet samen gaan, dat na-apen gemakkelijker is dan nadenken, dat we ons niets aan hoeven te trekken van prehistorische religieuze onzin en dat we ons vooral moeten (blijven) bezinnen.
Het werd een zuur stukje.

Ik besloot het over donderdag te hebben. ‘s Morgens stond ik te wachten om een straat over te steken. De bestuurder van een Volkswagen - een twintiger van Marokkaanse afkomst - stopte omdat de auto vóór hem iemand uit liet stappen. De jongen in de Golf draaide het raampje open, plooide zijn gezicht in een hoogzomerse glimlach en zei: ‘Steekt u maar over hoor, mevrouw.’ Die oogverblindende glimlach en vriendelijke woorden zijn me de rest van de dag bijgebleven. Heerlijk, als een vooroordeel over leden van een bevolkingsgroep niet wordt bevestigd. Dat maakt dat ik in het goede van mensen wil blijven geloven. Ondanks wat ze elkaar soms aan (willen) doen. Al dan niet uit naam van welke god dan ook.

’s Middags was er de merel. Ik strooide vogelzaad op mijn tuinpad, toen hij op een paar meter afstand van me op de schutting landde. Seconden lang keken we elkaar aan. Het voelde alsof we oude vrienden waren.

En zo is deze aflevering er zomaar een van zoete woorden geworden.

 

Afl. 12 Hart

07-01-2019
Ook dit jaar heb ik tien euro in de Oudejaarsloterij gewonnen. Ach, gezondheid is belangrijker.

Vandaag is het twee jaar geleden dat ik mijn tweede hartinfarct kreeg. Ik voelde dat het niet goed zat, spoedde mij naar de huisarts, ging daar van mijn stokje en kwam bij met een paar artsen over me heen gebogen. Had ik dat even goed uitgekiend. Later in het ziekenhuis kreeg ik een stent en de geruststelling dat er weinig schade aan mijn hart was.

In het eerste jaar na de aanval schoot ik in de rode vlekken van ieder bonkje of pijntje in mijn hartstreek. Dat ik erfelijk ben belast met een hoog cholesterolgehalte en geen medicijnen verdraag om het te verlagen, helpt ook niet. Meestal leef ik zo gezond mogelijk, dagelijks wandel of fiets ik. Soms schrans ik een zak chips leeg: de boog kan niet altijd gespannen zijn.

Stress is een belangrijke risicofactor voor het ontstaan van hart- en vaatziekten. Een oud-collega vergeleek me eens met een paard. Van hem - Jan - kon ik dat hebben. Je hebt onverstoorbare Belgische trekpaarden en opgewonden Arabieren, zei hij. En als ik een merrie was, zou ik tot het laatste ras behoren. De afgelopen jaren heb ik mijn reactie op tegenslag tegen het licht gehouden. Mede dankzij oefenen in mindfulness – accepteren wat er is – kan ik op mijn zestigste steeds vaker constateren dat ik me niet meer zo snel uit het veld laat slaan. Huist er ergens toch ook een Belgische knol in me.

Komende week heb ik in het ziekenhuis mijn jaarlijkse fietstest. De laatste keer presteerde ik onder de maat omdat mijn knieën in pudding veranderden. Sindsdien trap ik mezelf thuis regelmatig in het zweet op een hometrainer. En dus vertrouw ik erop dat het met mijn spierkracht dit keer wél snor zal zitten.

 
 
 
 
inDelen