Blog

Afl. 73 Zonnebril

29-03-2020
Met mijn door het virus tot een minimum teruggeschroefde aantal sociale contacten, ontkom ik er niet aan om naast schrijven andere zinvolle dagbestedingen te bedenken.
Mijn chronisch verwaarloosde tuin is een echte blikvanger. Iedere keer dat ik de boel met snoeischaar, hark of schoffel in de aanslag bekijk, zakt de moed me in de schoenen. Nu ik geen smoesje meer kan bedenken om onderhoud nog langer uit te stellen, ga ik met mijn alles behalve groene vingers met frisse tegenzin aan de slag. Een uurtje later heb ik de indruk dat ik behalve kleefkruid en klaver ook het grootste deel van de vorig jaar gekochte tuinplanten uit de tuin heb gesnokt. Toch maar even naar het tuincentrum. Als het er niet te druk is. En zodra ik zin heb.
Dan maar schoonmaken. Voor het eerst in twee jaar stofzuig en sop ik de binnenkant van mijn auto. In het boekenkastje op de overloop zet ik alle titels op kleur. Misschien is op grootte mooier. Of – dat zoekt wel zo makkelijk – op alfabetische volgorde van schrijvers. Mijn meest geslaagde klusje is de keuken. Daar glanzen de vloer, kastjes, kookplaat en oven je tegemoet. Als de zon erop schijnt, heb je een zonnebril nodig.
Als ik eerlijk ben, haal ik geen enkele voldoening uit al dat schrobben en boenen. De kookplaat zit binnen de kortst mogelijke tijd gewoon weer onder de vlekken. Is het niet van gemorst eten, dan wel door kattenpoten, omdat Karel na iedere kookbeurt als een kruimeldief op zoek gaat naar dat al dan niet gemorste eten. De eerste dagen schiet ik er meteen met sponsje en schoonmaakmiddel op af. Totdat ik besef dat het onbegonnen werk is. Trouwens, hoe verblindend mooi een tot hoogglans gepoetste kookplaat ook is: mijn zonnebril gebruik ik liever buiten. Eens per week schoonmaken vind ik meer dan genoeg. Nee, smetvrees zal ik in deze crisis niet ontwikkelen.
 
Wil je mijn blog liever in je mail ontvangen? Vul hier je gegevens in. Je kunt er ook een opmerking of vraag kwijt.

Afl. 72 Koken met Wilde planten

22-03-2020
Een vriendin trakteert op een workshop Koken met wilde planten. Leuk en origineel. Met zes vrouwen – er gelden nog geen strenge corona-maatregelen – zitten we in een voormalige stal, omgetoverd tot kookruimte. De gastvrouw begroet ons met heerlijke mini-appeltaartjes, opgetuigd met een blauwe bloempje. Ze schenkt thee van planten die ze eerder die ochtend in haar overwoekerde weilandtuin heeft gewied. Het brouwsel ruikt en smaakt naar water dat maanden in een bemoste regenton heeft gestaan. Ze verdeelt de taken. In de wei van kniehoog onkruid – ik bedoel wilde planten – mag ik de ingrediënten oogsten voor een kruidenpesto. Smalle weegbree, heilzaam bij aambeien. Ontgiftend kleefkruid, bloedreinigend fluitenkruid, laxerende dovenetel en jonge blaadjes van de paardenbloem, fijn voor de lever. In de keuken hak en vermaal ik alles tot een brei. Citroen, olie, olijven en cashewnoten verdoezelen de ergste bitterheid. Maar eerlijk: op de door iemand anders gemaakte zadencrackers is de pesto verrassend smakelijk.
De vriendin heeft zich intussen uitgesloofd op een wat de gastvrouw dwars-door-de-tuinsoep noemt. Het drab oogt als afwaswater waar de vuile vaat van een week doorheen is gehaald en heeft de smaak van te lang stilstaand zeewater met opgebaggerde plantenresten. Ik mompel dat ik het niet lekker vind en schuif het bord van me af, waarop de gastvrouw me een venijnige blik toewerpt. Het hoofdgerecht bestaat uit iets ayurvedisch met een ingewikkelde naam, zuurkoolsalade en lente risotto. Ik zeg dat ik met een beetje wil beginnen, mocht ik het niet lusten. De gastvrouw bijt me toe dat ik met mijn woorden anderen negatief kan beïnvloeden. Ik voel me een schoolmeisje dat van de juf op haar lazer krijgt. Voorzichtig proef ik de hoeveelheid van een theelepel. Lekker. Daarna schep ik mijn bord vol. De gastvrouw knikt goedkeurend.
Voor iedereen een tip: Gooi onkruid dat je tussen de tegels schraapt niet meteen in de groenbak. Trek er eens een niet per se heerlijke, maar wel heilzame thee van.
 

Afl. 71 Boekenweekessay

15-03-2020
In Generaal zonder leger heeft Özkan Akyol het onder andere over een intussen veel geplaagde boekverkoper die zich schuldig maakt aan minachting van lezers. Geniet je bijvoorbeeld van De Zeven Zussen, dan betitelt hij je als niet-lezer.
Die boekhandelaar is volgens mij niet de enige die meent dat vooral lezers van boeken van vrouwelijke auteurs niet-lezers zijn. Chicklit is literatuur speciaal voor ‘kippetjes.’ Werk voor ‘haantjes’ heeft geen predicaat. Dat wordt trouwens ook door kippetjes gelezen, terwijl haantjes zelden een roman inzien van kippetjes. Heeft iets met het mannelijk vermogen tot inleven te maken, denk ik.
Er zijn ook vrouwen die neerkijken op werk van hun seksegenoten. Corina Koolen is gepromoveerd met een proefschrift over de waardering van vrouwelijke schrijvers. Deelnemers – m/v – aan een nationaal lezersonderzoek, kunnen niet verklaren waarom ze ‘vrouwelijk’ bestempelen als laag-literair (ik denk dus als werk van niet-schrijvers) en ‘mannelijk’ als hoog-literair. Romans van mannelijke auteurs krijgen de beste beoordelingen en ook de top-10 van meest gewaardeerde romans is door mannen geschreven. Koolen onderzoekt of vrouwen echt zo anders schrijven dan mannen. Besteden ze meer woorden aan het beschrijven van het uiterlijk? Nee. Dat is voorbehouden aan mannelijke auteurs. Schrijven vrouwen dan emotioneler over gezin of uiterlijkheden? Ook niet waar. Koolens advies: Lees romans van vrouwen en doe alsof ze zijn geschreven door een man.   
Ik stel voor dat je dan ook dit beantwoordt: Wat vind je vanTurks Fruit van Janine Wolkers, geschreven vanuit het perspectief van Olga? En trekken romans van Renato Dorrestein met mannelijke hoofdpersonages wél veel mannelijke lezers? Het is toch te gek voor woorden dat schrijfsters soms een mannelijk pseudoniem aannemen om serieus te worden genomen? Zo veranderen de zusjes Brontë in de gebroeders Bell en schrijft J.K. Rowling af en toe als Robert Galbraith.
In zijn essay somt Eus zeven mannelijke schrijvers op van wie hun romans hem hielpen bij het ontwikkelen van zijn eigen stijl. Geen enkele vrouw. Beschouwt Eus, net als die deelnemers aan het lezersonderzoek, vrouwen ook als niet-schrijvers?
 
 

Afl. 70 Ik wil het er niet over hebben

08-03-2020
Even Apeldoorn bellen. Of: Er is geen betere. Het schijnt dat je een slagzin zo’n twintig keer moet horen of lezen voordat hij in je hersenen zit gebakken. Zou het ook zo werken met meldingen over het coronavirus?
Eigenlijk wil ik het er helemaal niet over hebben, maar na twintig miljoen berichten en de eerste – hoogbejaarde – dode in Nederland, kan ik er niet meer omheen. Heel even is mijn anders sluimerende angst voor akelige ziekten klaarwakker. Het pijntje tussen mijn schouders dat ik overdag wijt aan een uurtje onderuitgezakt zitten, verandert ’s nachts in een fatale longontsteking. Die de volgende ochtend gelukkig op wonderbaarlijke wijze is genezen. En die paar keer hoesten. Het zal toch niet..? Dat de helft van de Brabanders na carnaval een poosje grieperig of verkouden is, vergeet ik even. En wat betekent dat niezen? Waarschijnlijk dat ik mijn huis weer eens moet stofzuigen. In de krant staat dat driekwart van de mensen eraan moet geloven, waarbij vooral veertigplussers de dupe zullen zijn. Economieën gaan wereldwijd in elkaar donderen. Een nog dreigender bericht: deze op handen zijnde pandemie zou weleens meer levens kunnen eisen dan de twintig tot honderd miljoen doden die er in 1918/1919 tijdens de Spaanse griep vielen.
Zal ik de logeerkamer volstouwen met wc-papier, rijst, pasta, bonen en andere houdbare producten? Leg ik een mat met ontsmettingsmiddel onder het kattenluikje? Want wat als Karel het virus ook kan oppikken en het op mij kan overdragen? Moet ik hem en mij een mondkapje voordoen? En vogels? Hoe zit het daarmee? Is het verstandig om voorlopig twee meter afstand van alles en iedereen te houden en ieder kwartier mijn handen te schrobben met Dettol?
Hou op zeg. Natuurlijk let ik op en doe wat verstandig is, maar ik laat me niet gek maken.
 

Afl. 69 Lentekriebels

01-03-2020
Deze week geen blog. Zitproblemen en dus weinig achter de laptop. Hoe dat komt? Uit de hand gelopen lentekriebels. Vorige week vrijdag kijk ik mijn tuin in. Verdorde bladeren, kale planten en een hoop onkruid. Storm Ellen mag in aantocht zijn, ook maart komt in zicht. De hoogste tijd om mijn klimrozen tot op een paar centimeter boven de grond af te knippen. Ik leen een lange snoeischaar van mijn buurman en ga kwiek aan de slag. Een poosje ben ik verwoed bezig met de soms centimeters dikke takken, als ik in mijn onderrug een zeurderige pijn voel. Genoeg gekortwiekt voor vandaag. Een half uur en een kop thee later is de pijn verdwenen. De volgende dag trekt de carnavalsoptocht door Roosendaal. Al jaren bekijk ik die ‒ verkleed als rechercheur in burger ‒ met mijn zus en zwager. Vanwege de storm ontbreken er een paar hoge praalwagens, andere zijn van windgevoelige uitsteeksels ontdaan. Al na een uur rijdt de prinsenwagen met ingeklapte voorkant langs. Daarna wil ik een warm bad nemen. Thuis draai ik de kraan open, kleed me half uit en buig voorover om de temperatuur van het water te peilen wanneer een gloeiend mes zich in mijn onderrug boort. Daar sta ik dan, voorovergebogen in een hoek van negentig graden. Neemt mijn rug alsnog wraak voor mijn eerdere tuiniersactiviteiten. Het duurt minuten voordat het me, nog steeds gebogen, lukt om mezelf als een krab in zijwaartse richting naar de telefoon in de kamer te schuiven om mijn zus om hulp te vragen. Een paar dagen sjok ik door het huis als een stramme bejaarde. Op donderdag loop ik min of meer rechtop en vrijdags gaat het bijna als vanouds. Nu voel ik alleen nog pijn als ik te lang zit of wanneer ik opsta. Volgende week sjort de manueel therapeut de wervel in de juiste houding. En kan ik weer alle tijd aan een stukje besteden.

Afl. 68 Dozendaal

23-02-2020
Mijn woonplaats Roosendaal. Aardige mensen. Bijzondere winkels, leuke evenementen, fijne terrassen, het beste theaterrestaurant van Nederland en een winkelpassage met bijna vier sterren op Tripadvisor. Er is meer. In de omgeving vind je bossen, watertjes, heide en platteland. Hier wil je toch onmiddellijk een dag van komen genieten of meteen naartoe verhuizen?
Er is een maar. Ben je op zoek naar architectonische of geschiedkundige pareltjes, dan heb je voorkennis nodig of een gids met een loep. Roosendaal staat in de top 5 van Treurtips, een gids van Mark van Wonderen over Nederlandse plaatsen van een ‘aandoenlijke treurnis en lelijkheid.’ Hecht je als toerist of mogelijk toekomstige inwoner geen waarde aan fraaie monumenten en word je net als Van Wonderen blij van steden van een weerzinwekkende schoonheid, dan zit je in Roosendaal gebakken.
Het gemeentebestuur is al een tijdje bezig de aandoenlijke treurnis van de stad uit te breiden naar het buitengebied. Wat dankzij een even simpel als briljant plan al aardig vorm krijgt. De opmars van enorme betonnen distributiedozen is niet te stoppen. Deze grauwe reuzen beginnen de eens zo landelijke vergezichten en rustige buitenweggetjes ten noordoosten van de stad te verdringen. Een gevaarte van 112.000 vierkante meter en 15 meter hoog gaat de kroon spannen. Natuurlijk gunt de gemeente omwonenden dat ze van zo dichtbij mogelijk van dit juweeltje kunnen genieten. Het gebouw verrijst met een afstand van 40 meter daarom zowat in de voortuin van de huizen die er tegenover staan. Deze bofkonten van bewoners worden natuurlijk net zo vrolijk van deze treurige lelijkheid als de bestuurders van de stad. En ze glimmen vast ook zo van trots bij het horen van de nieuwe bijnaam van Roosendaal: Dozendaal.
Dit jaar is het carnavalsmotto van Roosendaal: Draai ’t mar om. Dat slaat gelukkig niet op de bouwplannen van de gemeente. Die verdienen alle lof. Want dankzij hun inzet en visie bereikt  de stad binnenkort misschien wel mooi de eerste plaats van Treurtips.
 

Afl. 67 Drie vliegen in één klap

16-02-2020
Als ik de tachtig haal, wil ik niet een van die oudjes zijn die zich afvragen hoe laat het achtuurjournaal ook weer begint. Om de huidige stand van zaken van mijn geestelijke vermogens in kaart te brengen, doe ik online een paar gratis IQ tests. Waar geen pijl op valt te trekken: de scores bungelen tussen net niet zwakzinnig en een pietsje hoogbegaafd. Ik besluit dat ik een gemiddeld intellect heb en dat ik er maar op moet vertrouwen dat anderen me het laten weten wanneer ik de plank op geestelijk gebied mis begin te slaan.
Ons denkvermogen heeft prikkels nodig om actief en alert te blijven. Nieuwe mensen ontmoeten, op reis gaan en uitdagende puzzels oplossen helpen daarbij. Daarnaast moeten we natuurlijk voldoende blijven bewegen. Een Amerikaans psycholoog beweert dat een combinatie van sport en muziek goed is voor lichaam, geest én hersens en dat het beluisteren van muziek tijdens sporten positief zou bijdragen aan het menselijk welzijn. Dit komt omdat we daarbij onze voorste hersenkwab gebruiken, het deel van ons brein dat gekoppeld is aan ingewikkelde mentale functies als abstract denken en vooruit plannen. Om te zien of het betoog van die psycholoog wel klopt, voeren onderzoekers een test uit. Deelnemers aan dat onderzoek krijgen een letter van het alfabet. Het is de bedoeling dat ze zoveel mogelijk woorden die beginnen met die specifieke letter, verzinnen en onthouden. Na het trainen zonder muziek merken de onderzoekers geen verschil. Luisteren de deelnemers tijdens het sporten naar een prettig deuntje, dan bedenken en onthouden ze twee keer zoveel woorden. 
Je voelt je dus prettiger én je wordt behalve fitter ook nog eens slimmer wanneer je tijdens het beklimmen van de Cauberg mee blèrt met Frans Bauer op je koptelefoon, of als je naar een kerkorgelrecital of hardrockconcert luistert terwijl je op je hometrainer een denkbeeldige etappe van de Tour de France aflegt. Drie vliegen in één klap. Wat willen we nog meer.

 

Afl. 66 Mondgewoontes

09-02-2020
Ik kauw weleens op de binnenkant van mijn wang. En ik span soms mijn kaakspieren aan of maak snuivende geluidjes. Misschien doe je het zelf ook of herken je het bij anderen. Zenuwtrekjes. In een eerdere blog vergeleek ik mensen met paarden; een Zeeuwse koudbloed knol raakt minder snel overprikkeld dan een vurige Arabier. Menselijke Arabische volbloeden knipperen met hun ogen of friemelen met hun handen. Ze laten hun vingers roffelen en hun voeten trappelen en kunnen een hele mikmak van andere (on)hebbelijkheden vertonen. Soms krijgt ook de omgeving dat allemaal te verduren. Zie je zo’n hittepetit weer eens aan haar lip plukken of hoor je een druktemaker knagen aan of tikken met zijn balpen, dan wil je er toch het liefst tandenknarsend vandoor gaan of de zenuwpees met een stem op megafoonsterkte vragen ermee op te houden?  
Die aanwensels zijn manieren om spanning los te laten, zegt mijn fysiotherapeute terwijl ze zich bezighoudt met mijn rug. Mijn aanwensels noemt ze vriendelijk mondgewoontes. Ik krijg een papier met adviezen. Wangen opbollen en de lucht tussen je lippen naar buiten persen. Je van je gewoonte gewaar worden en tijdelijk een andere kiezen. Je kan bijvoorbeeld met een paperclip spelen of aan je ring draaien. De paperclip valt steeds op de grond en ringen draag ik alleen als ik ergens naartoe ga.
Ik heb de meeste soesa met die zenuwtrekjes, eh, mondgewoontes, wanneer ik eet. En daarom trommel ik voortaan boven mijn bord Brinta met beide voeten de drumsolo uit Radar Love, speel ik tijdens een boterham met kaas het vijfde pianoconcert van Beethoven met mijn vrije hand op het tafelblad en blaas ik tussen de happen spinazie en aardappel door de tubapartij van een door mij zelf gecomponeerd stukje marsmuziek.  
Als ik niet oppas, zit ik straks met een verzameling nieuwe mond-, hand- en voetgewoontes. Of ben ik in te huren als eenpersoonsorkest. Voor al uw feesten en partijen.
 

Afl. 65 We hebben veel geleerd

02-02-2020
In Den Bosch bezoek ik de overzichtstentoonstelling ‘Design van het Derde Rijk’.
Indrukwekkend. Beklemmend. En verbazingwekkend, hoe zoveel mensen zich in die jaren laten inpalmen door de woorden van één megalomane man met een zieke geest. Vijftig tot zestig miljoen doden. Dat nooit meer, roept de wereld na afloop van de Tweede Wereldoorlog.
We kunnen die gek natuurlijk alle schuld geven van wat er in die tijd gebeurt, maar laten we wel wezen: Hitler maakt alleen zijn gedachten vuil. Niet zijn handen. Daar heeft hij volgzame militairen, boeren, burgers en buitenlui voor. Want met zijn doortrapte ideologie vervuilt Adolf appeltje-eitje ook hun gedachten. Waarna die anders zo verstandige mensen zonder enige gewetensbezwaren hun joodse buren aangeven, die vervolgens een enkeltje Polen krijgen en in veewagons worden afgevoerd, opeen gepropt met Roma, Sinti, homoseksuelen, gehandicapten en dwarsdenkers.
Gelukkig hebben we sindsdien veel geleerd. Regeringsleiders gaan door het stof. In eigen land biedt Rutte na de publieke verontschuldigingen aan de joodse gemeenschap, nu ook formeel zijn excuses aan voor de wandaden die Nederlanders hebben begaan tijdens de onafhankelijkheidsstrijd in Indonesië. Mensen als Wilders en Baudet en religieuze leiders laten het tegenwoordig uit hun hoofd om andersdenkenden en andersgelovigen te stigmatiseren, veroordelen of te verketteren. Hun nieuwe lijfspreuk: we zijn allemaal gelijkwaardig.
Ook wereldwijd maken we sinds 1945 sprongen voorwaarts. Tijdens de Koreaanse oorlog vallen er maar een paar honderdduizend doden, net als later in de Golfoorlog. Oké, er zijn uitschieters met vier miljoen slachtoffers in de Vietnam oorlog en twee miljoen in Cambodja gedurende het schrikbewind van de Rode Khmer. Maar de score in Syrië bedraagt tot nu toe hooguit een half miljoen en in Afghanistan en Jemen zijn het er zelfs nog minder.
We gaan de goede kant op. Voor de zekerheid schaffen we alle godsdiensten af en krijgen de machtswellustige testosteronbommen van wereldleiders verplicht een behandeling met oestrogeen.
Nee, wij hebben niets te vrezen. Toch? 
 

Afl. 64 Aan de stok

26-01-2020
Zes jaar ben ik niet op vakantie geweest. Lijf doet het niet altijd naar behoren en hoofd staat er weleens niet naar. Dit jaar wil ik het erop wagen en wel naar Frankrijk, net als veel Nederlandse stellen en gezinnen. En dan overnachten in een hotel, want kamperen is aan mij niet besteed. Bij gebrek aan man en kroost kan ik in mijn eentje op pad gaan, maar daar heb ik echt geen zin in.
Ik googel ‘groepsrondreis Frankrijk’ en krijg organisaties met kuddes van wel veertig personen. Propvolle programma’s met bijna iedere dag een nieuwe bestemming en ook iedere dag uren zitten schommelen in een bus. Mooi niet. Een wandelvakantie dan? Kleine groep. Acht dagen Provence, lichte wandelingen vanuit één standplaats. De prijs is schrikken. Maar ik ben toe aan even weg uit eigen land.
Ik wil die week wel mee, zegt vriendin D. aan wie ik mijn voornemen vertel. We kiezen voor zes dagen samen wandelen vanuit een B&B in de Morvan, een streek in de Bourgogne.
Mijn evenwicht is de laatste jaren wat gammel geworden. Ik moet dus dapper aan de bak op heuvelachtig terrein. D. wandelt er al geregeld flink op los in mooie geaccidenteerde gebieden in Europa. Ik zoek en vind mijn wandelstok die nog dateert uit de tijd dat ik uitdagende bergwandelvakanties aankon. Twee dagen later kuier ik een paar uur met oud-collega F. over de Oude Buisse Heide. Het eerste halfuur lijkt het alsof ik met de stok monsters wil doodprikken die zich in het zand ophouden. Al snel doorstaan stok en ik behendig de grootste oneffenheden. De volgende dag banjer ik met vriendin P. over hobbelig terrein en neem moeiteloos een woeste hoogte van wel vijftien meter. Binnenkort gaan D. en ik de vijftig meter hoge duinen bij Zoutelande bedwingen. En eind april op naar het echte wandelwerk in de Morvan.
De wereld ligt weer evenwichtig onder mijn voeten. Lang leve de wandelstok.
 

Afl. 63 Daten

19-01-2020
Je kan gaan daten, hoor ik een vrouw tegen een andere zeggen.
Ik denk aan mijn eigen ervaringen. De laatste twee afspraken dateren van 2013. En die mannen zal ik niet snel vergeten.
Met de eerste spreek ik af op een Roosendaals terras. Militaire uitstraling, niet het type waar ik direct op val. Vooruit, denk ik, weg met die vooroordelen! Ik kan aardig kletsen, maar vergeleken hem ben ik een stille muis. Al snel weet ik alles over zijn ex, zijn werk (hij is dus echt een beroepsmilitair), zijn eetgewoonten en hoe goed en slim en gevoelig hij wel niet is. Geeuw.
Wil je ook iets over mij weten? vraag ik na zijn monoloog van een halfuur even scherp als ik het bedoel. Of blijf je liever over jezelf lullen? Waarop hij me uitmaakt voor ongevoelig kreng. Terwijl hij binnen naar de wc gaat, knijp ik er tussenuit.
In het profiel van de tweede staat dat hij een joviale levensgenieter is. Hij nodigt me joviaal uit voor een lunch op zijn kosten in het Kurhaus. Wanneer ik hem op het station in Den Haag begroet, wil hij liever naar een Chinees. Daar stouwt hij een driegangenmenu naar binnen en besproeit alles rijkelijk met bier. Het is elf uur, ik houd het bij thee. Of we de rekening kunnen delen, durft hij te vragen. Mijn gezichtsuitdrukking zegt genoeg, waarna hij ‒ gul als hij beweert te zijn ‒ ook mijn thee dan maar betaalt.
We wandelen de stad in. Ik krijg trek in een tosti en zeg ‒ gul als ik dan maar zal zijn ‒ dat ik hem op thee trakteer. Waarbij hij meteen het duurste gebak van de kaart bestelt. Tussen twee happen door vertelt hij ook nog even dat hij werkloos is en wat extra’s bijverdient door zijn voormalig werkgever te chanteren. Waarop ik zeg dat ik naar huis ga.
Niet even lekker seksen? vraagt hij bij het afscheid.
Wil je je als single af en toe mateloos verbazen? Ga daten.

 

Afl. 62 Kattenkots

12-01-2020
De titel verraadt het al: dit wordt een onsmakelijk stukje. Over kotsende katten. Of ik dat niet netter kan omschrijven? Nee. Overgeven geeft een te ingetogen beeld van wat katten soms flikken. Er kunnen haarballen dwarszitten. Of ze vinden iets wat in staat van ontbinding verkeert en niet zo lekker valt. Meestal komt het door gulzigheid.
Van mijn eerdere katten is Fred Kampioen Kotsen. Bij voorkeur midden op het vloerkleed, zodat het niet tegen zijn poten spettert. Eén keer staat hij op de overloop te kokhalzen. En glop, daar spuit een brei van brokjes in verschillende stadia van vertering al over de trap, om trede voor trede naar beneden te druipen.
Karel is vriendelijk, grappig en niet al te slim. Hij is de eerste kat die vaak luistert wanneer ik hem roep. Binnenshuis werkt zijn peristaltiek nooit tegendraads. Ik heb zelfs nog geen haarbal zien liggen. Ben je een kattenliefhebber, dan zul je denken: ideaal huisdier. Dat is hij ook. Ik bof maar met deze schat van een asielkat. Op één ding na. Karel is geobsedeerd door eten. Zodra hij me ziet na een afwezigheid van langer dan vijf minuten, begint hij te jengelen. Hij schrokt alles op. Kattenvoer, spinazie, banaan en sojayoghurt.
De dierenartsassistente adviseert me om hem tijdje te overvoeren, dan leert hij het waarschijnlijk wel af. En dus laad ik zijn bakje tot aan de rand toe vol brokjes, die hij boerend en zonder kauwen naar binnen gaffelt. En even later uitspuugt. In de jaren dat ik meer katten heb, eten ze elkaars uitgebraakte prakkie nog wel eens op. Ha, warm eten! Hoef ik de rommel zelf niet op te ruimen. Karel laat zijn kots links liggen. En rechts, voor en achter. Jengelen doet hij niet meer. Wel dijt zijn buik uit. En dus geef ik hem langzaam steeds minder eten, precies zoals de dierenartsassistente me aanraadde.
Het kotsen neemt af. En het jengelen helaas weer toe.
 

Afl. 61 Bordercollies en lijdzame schapen

05-01-2020
Met mijn zus naar de film Cats.
We genieten van de decors, van ballerinapoes Victoria, van de bejaarde broosheid van Deutoronomy en van de wanhopige Grizabella die de meest doorleefde versie van Memories zingt die we tot nu toe hebben gehoord.  
In de zaal zit nog een handvol mensen die zich niet hebben laten beïnvloeden door de barslechte kritieken. Cats zou een belediging zijn voor de schrijver van de musical en voor de hele sterrencast. Het zou een hopeloos mislukte verfilming zijn met een flinterdun verhaal. En de katten zouden soms pornografisch ogen.
Die preutse Telegraafrecensent heeft zeker nooit het ballet De Notenkraker gezien. Met ook een mager verhaal, over speelgoed dat tot leven komt. Ballerino’s hupsen er rond in strakke maillots met een ferme bobbel tussen de benen. Zijn schriele verhaallijnen en kostuums die niets te raden overlaten alleen geoorloofd bij ballet en musicals?
Boek- en filmrecensenten zien zichzelf graag als de onmisbare bordercollies die lijdzame lees- en kijkschapen de juiste richting in moeten loodsen. Een boek of film is pas goed bij de gratie van hun mening, want zij hebben er verstand van. Hoezo verstand? Het is toch een kwestie van smaak? En waarom zou hun smaak belangrijker zijn dan die van iemand die iedere maand drie boeken leest of wekelijks naar de bioscoop gaat?
Denk even aan Youp van ’t Hek die ooit uitriep dat hij een hekel had aan drinkers van dat gereformeerde Buckler bier. Binnen de kortste tijd lieten de bierdrinkende schapen het merk links liggen en was het van de markt verdwenen.
En dat is precies wat er met afgekraakte boeken, films en dit keer met Cats gebeurt. Ze worden een flop omdat gedweeë blaters zich door die herdershonden van recensenten een bepaalde hoek in laten blaffen.
Voor al die onderdanige schapen: lees zelf dat afgebrande boek en kijk zelf die afgekraakte film en vorm daarna je eigen‒ misschien wel juichende ‒ mening.     
 
 
 
 
 
inDelen