Blog

85. Themakalender

02-08-2020
De eerste zondag in augustus – vandaag dus – is ‘International vegan potluck day.’ Nee, geen geluksdag voor potplanten op je vensterbank. Vijfhonderd jaar geleden staat de term ‘potluck’ in Engeland voor de maaltijd die een onverwachte tafelgast krijgt voorgeschoteld. Dan is het een kwestie van geluk of die pot iets smakelijks schaft. In Amerika verandert de betekenis in een gezellig samenzijn waarbij iedereen iets te eten meeneemt. En op deze eerste zondag van augustus draait het om samen met vrienden of familie te genieten van potten – schalen en pannen mogen ook – met meegebrachte veganistische gerechten.
Op een themakalender hebben veel dagen – soms een week of maand – een onderwerp om bij stil te staan. Om iets mee te doen. Of om aan voorbij te gaan.
Er zijn thema’s die vragen bij me oproepen. Neem 7 februari. ‘Warmetruiendag.’ Is het de bedoeling dat je die dag een winterwolletje draagt of dat je er een gaat breien? Of ‘Nationale plasdag’ op 7 september. Mag je dan overal piesen zonder kans te lopen op een bekeuring voor wildplassen? Nog een: op 29 juni is het modderdag. Modder om in te spelen? Ermee te gooien, letterlijk of figuurlijk? Mijn verjaardag – 6 april – is aangewezen als 'Werelddag van de Sport voor Ontwikkeling en Vrede.' Is jezelf vredig ontwikkelen een sport? Of moet je tijdens het sporten stilstaan bij het ontwikkelen van wereldvrede? Snap jij het? Juli en augustus tellen weinig thema’s. In die maanden hebben we genoeg aan vraagstukken als: Camping of hotel? En: Hawaii shirt of regenpak?
Er zijn dagen of weken voor ziektes en aandoeningen. Ook die vind ik onduidelijk. Doneer ik op die dag geld? Geef ik aandacht aan iemand met die kwaal? Probeer ik me voor te stellen hoe het voelt om er zelf aan te lijden, of mag het allemaal?
Hoog tijd voor een Dag van de Duidelijkheid. Om scherp te krijgen wat wazig is. Of is dat misschien ook te wazig?
 
Wil je mijn blog liever in je mail ontvangen? Vul hier je gegevens in. Je kunt er ook een opmerking of vraag kwijt.

84. Saai kan altijd nog

26-07-2020
Een vrouw uit Den Helder moet de appelgroene voorgevel van haar huis overschilderen. Azijnplassers van buren vinden de kleur schreeuwerig. Ook de welstandscommissie – ik vermoed dat leden op basis van bewezen truttigheid worden uitgekozen – deelt die mening.  
In mijn woonplaats Roosendaal is het net zo triest. Jaren geleden verft de uitbater van een Marokkaanse theezaak de voorgevel van zijn etablissement lavendel-paars. Het deel van de straat fleurt ervan op. Net als het humeur van menig voorbijganger. De verf is amper droog of de theeschenker wordt bevolen de muur minder bont te maken.
Iemand die met de kleur van zijn gevel boven het maaiveld van wit, grijs, antraciet of pasteltint uitsteekt, wordt onverbiddelijk een kopje kleiner gemaakt. Nog voordat je aquamarijn of vermiljoen kunt zeggen begint iemand lelijk! te jammeren, meestal een vaal type dat op vakantie wél kiekjes maakt van de in het oog springende kleurigheid in Barcelona of Curaçao. Zo’n schilderachtig straatbeeld in hun eigen stad? Echt niet. Stonden we in het buitenland niet bekend als belastingparadijs voor rijke multinationals of als een land vol mensen met een grote mond en een betweterig opgeheven vingertje, dan zou je bijna denken dat soberheid in onze volksaard zit.
Dankzij de Oost-Europese arbeidsmigranten die er wonen, zijn in de Industriestraat in Roosendaal de eens grauwe gevels sinds 2016 opgevrolijkt door een regenboog aan kleuren. De bouwsels staan op een bedrijventerrein, onaangetast door welstandseisen. ‘Excessen’ – opvallende kleuren –  blijven daarom ongestraft. Geregeld maken fietsers en wandelaars foto’s van deze opbeurende gevels.
En daarom pleit ik voor afschaffing van dorre welstandsregels. Geef kleur, fantasie en kunstenaars een kans. Denk aan scènes op rijtjeshuizen die samen een stripverhaal vormen. Gevels met verschillende soorten vlinders, bloemen of vogels. Melkmeisjes in Jan Vermeerstraten, zonnebloemen in Van Goghlanen. De eerste regels uit Oeroeg op Hella Haasse pleinen. Genoeg graffiti-artiesten en andere schilders die ermee aan de slag willen. Worden we (bijna) allemaal blij van. Saai kan altijd nog.

 

83. Geen cent te veel

19-07-2020
Zeeuws-Vlaanderen is een mooie streek om een paar dagen te vertoeven, zeggen vriendin M en ik als we bij het hotel in Sluis aankomen. Na het avondeten slenteren we in het stadje langs het mooie belfort, de kleine versie van de toren in Brugge. De lege straten en gesloten restaurants verbazen ons. Vanmiddag was het een gezellige drukte. De meeste hotels zitten toch vol? Draagt Sluis zijn naam omdat de waterkering van vroeger tegenwoordig ’s avonds een mensenkering is? We horen dat veel toeristen winkelaars zijn die aan het einde van de middag – moe en blut? – naar huis keren. 
De volgende ochtend stroomt het kleine centrum opnieuw vol. Wij wandelen langs de Damse vaart vol waterlelies en waterfietsen en lopen over de stadswallen. Passeren oude toegangspoorten, weilanden met herkauwende koeien en rijen door de wind krom gegroeide populieren. We genieten van de rust. Meters lager krioelen de koopjesjagers.
De dag erna peddelen we op onze elektrische huurfiets met windkracht vijf via schilderachtig Retranchement naar spuuglelijk Cadzand-Bad voor een kop koffie. Thee in mijn geval. Op naar het prachtige verzande Zwin, een gedachte die duizenden andere fietsers ook hebben. Kreken vol watervogels. Weilanden met ooievaars, runderen en schapen. Kleine stukken bos. Vanuit het Belgische Zoute trappen we naar een atelier in Zuidzande. Langs akkers met vlas en bloeiende aardappelplanten, door piepkleine buurtschappen en over een fietspad door de sappig groene uiterwaarde van een uitwateringskanaal, bereiken we Sluis weer. Uitgewaaid en met een enigszins doorgezeten zitvlak.
Jaarlijks vallen 5 miljoen toeristen ten prooi aan de grootste trekpleister van Sluis: 42 winkels (op een inwoneraantal van 2400.) Ook M en ik gaan na een goede nachtrust voor de bijl. Het aanbod is groot en gevarieerd. Sommige producten zijn opvallend goedkoop. Naast een handvol Duitsers en Nederlanders, zien we veel, héél veel Belgen. Zeeuwen hebben de naam zuunig te zijn. In Sluis zijn het vooral onze zuiderburen die geen cent te veel willen betalen.
 
 

82. Natuurlijke charme

05-07-2020
Het is lekker weer en ik kuier wat door het centrum. Links vanuit het park nadert een man in een opvallend rood-blauw gestreept hemd dat me doet denken aan een voetbalshirt. Hij verdwijnt achter me uit het zicht. Ik steek de Markt over, ga langs de Sint-Janskerk en passeer een terras waar vier vrouwen gezellig achter een roseetje zitten.
Hé, roept iemand achter me. Ik reageer niet – een bekende zou mijn naam roepen – en loop verder.
‘Hallo mevrouw,’ klinkt het nu. Ik draai me om. Het rood-blauw gestreepte shirt. De drager is eind twintig en heeft een Noord-Afrikaans uiterlijk. Wil misschien de weg weten, denk ik en houd in. Hij komt op me af. ‘Mag ik u iets vragen?’
Ik knik.
‘Wilt u iets met me gaan drinken?’
Ik zie de rosé nippende vrouwen van zijn eigen leeftijd. Waarom heeft hij hun niet gevraagd of hij erbij mag komen? Verlegen is hij niet.
‘Nee,’ antwoord ik.
‘Ik bedoel koffie of zo.’
‘Nog steeds nee.’
‘Geen probleem.’ Hij draait zich om en loopt weg.
Eerder die dag hoor ik op het nieuws dat jonge vrouwen aan de kust lastig worden gevallen door Marokkaanse etterbakken van pubers. Ze sissen, roepen en wanneer je niet reageert of hen afwijst, krijg je een hele toonladder aan woorden met k*t of hoer naar je hoofd. Ik ben 62 en de gast in het voetbalshirt is beleefd. Ik ben benieuwd waarom hij mij heeft benaderd. Voelt hij zich aangetrokken tot rijpere vrouwen? Krijgt hij steeds het deksel op zijn neus bij de jonkies? Of ben ik zijn allereerste poging en ziet hij mij als de spreekwoordelijke op-een-oude-fiets-moet-je-het-leren? Houdt hij mij voor een jonge blom omdat hij toe is aan een bril met sterkte -7? Wil hij misschien echt alleen koffiedrinken omdat ik hem aan zijn onlangs overleden moeder herinner?
Wat doe ik toch moeilijk. De knaap is gewoon gevallen voor mijn leeftijdonafhankelijke charme en natuurlijke elegantie…
 

Ontsnapping uit Alcatraz (slot drieluik Liefde in Coronatijd)

21-06-2020
Mevrouw De Vries liet het tijdschrift op haar knieën rusten en keek om zich heen. De begonia had twee nieuwe scheuten. Op het balkon lagen broodkorsten, de duif die ze de afgelopen weken had opgepikt, liet zich al dagen niet zien. Was het werkelijk pas tien over twee?
Ze wreef een lok van haar voorhoofd. Binnenkort werd de kapster weer toegelaten. Daarnaast had iedere bewoner recht op één vaste bezoeker. Mevrouw De Vries had geen vaste bezoeker. Haar man en zoon waren overleden, net als haar broer en al haar vrienden. Kleinkinderen waren er niet, de dochter van haar broer was alle familie die ze bezat. Het enige contact bestond uit een jaarlijkse kerstkaart.
Ze zette de tv aan en keek in de holle ogen van een uitgehongerde Somalische kleuter. Snel zapte ze weg en belandde in het zoveelste programma over corona. ‘Opkomen voor de zwakkeren in de samenleving is een teken van beschaving,’ zei iemand. Maar dan wel voor de zwakkeren van onze Westerse beschaving, dacht mevrouw De Vries met het beeld van het uitgemergelde Somalische kind nog op haar netvlies. Want zou de wereld ook zo’n vaart maken met een vaccin voor corona als de ziekte zich tot Afrika had beperkt? Sommige levens waren kennelijk meer waard dan andere. Ze koos een documentairekanaal. De ontsnapping van drie mannen uit Alcatraz in 1962. Niemand kon de gevangenis ontvluchten en anders kreeg de baai van San Francisco met zijn ijskoude water en sterke stroming de boeven wel te pakken. Het was onduidelijk wat er van de ontsnapten terecht was gekomen. Misschien hadden ze het gehaald.
Vandaag zat mevrouw De Vries zes weken in eenzame opsluiting in dit Alcatraz van een tehuis. Het lag pal aan een meer. De kamers van de bewoners keken uit over het water, ontvluchten was alleen mogelijk via de hoofdingang waar overdag een cipier de wacht hield en ‘s nachts beveiligingscamera’s. Alsof de bewoners ontsnappingsgevaarlijke criminelen waren. Water was rustgevend meende de architect. Kabbelende golven, fraaie zonsondergangen. Wat wilde iemand nog meer in de laatste fase van het leven? Mevrouw De Vries wilde rumoer en beweging en de vrijheid om zelf te beslissen hoe ze die laatste fase van haar leven wilde invullen. Wat ze niet wilde was deze betutteling door de papa’s en mama’s van het tehuis die haar als een kleuter van vierennegentig behandelden. Zij bepaalden wat goed voor haar was. Dat moest ze niet zo zien, hield een medewerkster haar voor. De overheid verplichtte tot deze maatregelen om kwetsbare mensen zoals mevrouw De Vries te beschermen. Ze wilde toch niet dat zij en de anderen besmet zouden raken als de maatregelen te snel werden versoepeld? Hoe het zat met besmetting door het personeel dat buiten het tehuis wél contact had met de rest van de wereld, wilde mevrouw De Vries weten, want geen van de zorgmedewerkers droeg een mondkapje. Collega’s met klachten bleven thuis, verzekerde de verzorgster. Waarop mevrouw De Vries opmerkte dat er de afgelopen tijd vijf bewoners aan corona waren overleden. En dat die zichzelf niet hadden besmet. De vrouw schudde haar hoofd en verliet de kamer.  
       
Een pijnscheut trok door haar rug. Twee jaar geleden overleed haar zoon, vorig jaar bleef haar man dood tijdens een potje canasta. Sindsdien ging het bergafwaarts met mevrouw De Vries en was ze hier beland. Haar kunstgebit, rollator, steunkousen, bril, incontinentieluier en kunstheup waren samen met de ontelbare rimpels en het besef dat ze binnenkort niet meer kon lopen, de onafwendbare trofeeën van een rijk leven dat wat mevrouw De Vries betrof nu lang genoeg had geduurd. Voordat de coronacrisis uitbrak had ze haar dagelijkse ommetjes langs het meer en de gezamenlijke maaltijden met medebewoners. Nu restten somberheid en eenzaamheid. Tegen de artsen zei ze onlangs dat haar leven voltooid was. Dat ze haar plaats in het tehuis wilde afstaan aan een kwetsbare oudere die koste wat kost wél zo lang mogelijk wilde blijven leven. Ze gaven haar pillen en drankjes en injecties en beslisten dat ze zich binnenkort beter moest voelen. Mevrouw De Vries had gehuild. Ze had niet het recht om te sterven, zei ze, maar de plicht om te blijven leven.
Ze keek opnieuw uit over het water dat zich als een onneembare hindernis voor haar uitspreidde. De afgelopen nachten had ze urenlang over het water gestaard. Slapen lukte pas nadat haar man en zoon zwaaiend langs haar raam waren gevaren in de platbodem die ooit van hen was geweest. Hun zoon stond aan het roer. Wanneer ze het spelletje canasta zouden afmaken, riep haar man vanaf de voorplecht, want hij was aan de winnende hand.
Vandaag was een warme junidag. De zon strooide zilveren flikkeringen over het meer. Toen de belegering van het tehuis na een maand nog steeds aanhield en een einde niet in zicht kwam, vroeg mevrouw De Vries of ze een stukje mocht wandelen langs de oever, voordat haar afnemende spierkracht dit onmogelijk zou maken. Ze wilde de geur van de wilde rozen opsnuiven. Het zand onder haar blote voeten voelen en de zon en de wind op haar wangen. Ze zou een mondkapje dragen, zei ze. Een veiligheidsbril. Rubber handschoenen. Ze zou haar rollator ontsmetten. Afstand houden van mensen. Alles wat nodig was om veilig naar buiten te gaan en veilig terug te komen zodat ze zichzelf en niemand anders kon besmetten. Mevrouw de Vries moest op haar kamer blijven en erover ophouden, beval het hoofd van de afdeling.
Haar hele leven had in het teken gestaan van liefde. De liefde voor haar zoon. Voor haar man. Hem liefdevol troosten na de dood van hun enige kind. Liefde voor het welzijn en de ontwikkeling van de misschien wel duizend leerlingen aan wie ze tot haar pensioen les had gegeven. Het laatste restje liefde bewaarde mevrouw De Vries voor zichzelf. Vannacht zou ze haar prachtigste jurk aantrekken en in haar mooiste schoenen schieten. Ze zou de saffieren ring, een cadeau van haar man, aan haar vinger schuiven en de ketting omdoen die ze van haar zoon had gekregen. Ze zou het keukentrapje tegen het balkon zetten, over de balustrade klimmen en in de langsvarende platbodem stappen. Ze zou ontsnappen uit haar Alcatraz. En ze zou haar man weleens laten zien wie dat spelletje canasta ging winnen.  

Volgende blog op 5 juli.

Wil je mijn blog liever in je mail ontvangen? Vul hier je gegevens in. Je kunt er ook een opmerking of vraag kwijt.

 

81. HEMA

14-06-2020
Het is natuurlijk een onderwerp van niks. Mijn vruchteloze zoektocht naar een rood slipje en witte sokken bij de HEMA. Overal en altijd verdwijnen artikelen of veranderen modebeelden, dus ook bij deze winkelketen. Maar twéé artikelen tegelijkertijd foetsie, is even slikken. Misschien zijn ze al langer uit het assortiment. Die rode slip draag ik uitsluitend onder een witte broek – knalrood zie je niet onder wit – en gaat daarom jaren mee. Huidkleurig is alleen onzichtbaar onder wit als het dezelfde tint heeft als je vel en mijn bips is minder beige of zandkleurig dan de slipjes in de winkel. Raar dat er vaak maar één tint te vinden is, terwijl iedereen kan zien dat huidskleuren – ook die van billen – variëren van Noord-Europees wit tot Afrikaans zwart. Flodderdunne slips in zwart, grijs, wit. Gebloemd, gestreept en met kant. Nergens knalrood.  
‘Geen vraag meer naar,’ zegt de winkelmedewerker die ik erover aanschiet.
‘Ik vraag er nu toch naar?’
Hij kijkt me meewarig aan. ‘We hebben huidkleurige slipjes.’
Ik vertel hem van mijn anderskleurige billen en dat rood onzichtbaar is onder wit.
Lekker boeiend, lees ik in zijn ogen.
Dan maar op zoek naar een paar witte sokken die ik op een frisse zomerdag onder een lichtkleurige broek draag. En die ook lang meegaan, omdat ik bij warm weer sokloze sandalen draag. Bakken vol sneaker socks die op de enkel vallen en na tien passen van mijn hielen glijden. Footies die je niet ziet en die bij mij na twee passen van mijn voeten floepen. Opnieuw klamp ik de medewerker aan. Losse paren witte sokken verkopen ze niet. Wel zeven paar sneaker socks voor € 7.   
‘Ik wil één paar, desnoods twee, tot bóven de enkel.’
‘Hebben we niet.’
‘Zeker ook geen vraag meer naar?’
Geef mij maar de degelijke kwaliteit van de HEMA van vroeger. Of is het daar te laat voor nu ze bijna failliet zijn.
 

Kort verhaal: Annemiek (deel 2 liefde in coronatijd)

31-05-2020
‘Ik ben Annemiek.’ Haar stem klonk vervormd, alsof ze onder water sprak. ‘En ik ga goed voor je zorgen.’
      Thomas opende zijn ogen. Hij lag op een ziekenhuisbed en keek in een wazig gezicht. Het rode haar van de vrouw trok zijn aandacht in de verder witte omgeving waarin hij geen vormen of diepte kon onderscheiden. Op de plaats waar hij Annemieks ogen vermoedde, schemerden twee groene vlekjes, maar die konden ook blauw zijn, dacht hij. De rest van haar hoofd en lichaam was gehuld in nevel. Ze pakte zijn hand. Haar vingers waren koel en rustgevend. Met haar andere hand wreef ze een lok haar van zijn bezwete voorhoofd. Hij gleed weg in een diepe slaap.
     
Hij werd wakker in een oeverloze zee die naar ontsmettingsmiddel rook en waarin warme en koude stromingen elkaar afwisselden. De diepte trok aan zijn benen en hij begon uit alle macht te spartelen om zijn hoofd boven water te houden. Iedere beweging kostte hem moeite. Water gulpte zijn mond in. Hij verslikte zich, hoestte en hapte naar adem. De ene keer zag hij een donkere, peilloze diepte onder zich, dan weer verscheen een smetteloos blauwe lucht boven hem. De energie vloeide weg uit zijn lichaam. Zijn ademhaling verzwakte en hij zonk naar de bodemloze diepte.  
      ‘Thomas.’ Het was de stem van Annemiek. ‘Kom terug.’
      Tevergeefs probeerde hij aan de oppervlakte te komen. Zijn lichaam was afgepeigerd. Hij raakte in paniek. Annemiek dook op hem af. Hij reikte naar de uitgestrekte hand, greep haar vingers en klampte zich eraan vast, als aan een reddingsboei. Met een onvermoede tederheid nam ze hem in haar armen. Zijn verkleumde rug koesterde zich aan de warmte van haar borst en een vreemde kalmte maakte zich van hem meester. Het duurde een paar minuten, tien seconden, een half uur, voordat ze een verlaten strand bereikten waar Annemiek hem in het zand legde. Ze streelde zijn gezicht, boog zich over hem heen en omsloot zijn geopende mond met haar lippen. Frisse lucht stroomde zijn longen in, bij iedere teug voelde hij de kracht terugkeren in zijn lichaam. Ze ging rechtop tegenover hem zitten. Zijn blik stelde zich scherp. Met het rode haar, de perfect ovalen vorm van haar gezicht en de troostrijke blik in haar ogen – die groen waren – was ze de mooiste vrouw die hij ooit had gezien. Hij schatte haar van zijn leeftijd, rond de twintig.
      ‘Daar ben je weer,’ zei ze. ‘Dat was even schrikken. Ze hebben de beademing bijgesteld.’
      Hij had geen idee waar ze het over had. Ze kwam overeind en klopte het zand van haar witte uniform. Vervolgens draaide ze zich om en liep naar de zee.  
      ‘Waar ga je naartoe?’ riep hij bijna smekend.
      Ze keerde zich naar hem toe. Achter haar sloegen de golven op het strand. ‘Ik moet terug. Je hoeft alleen maar aan me te denken en ik zal bij je zijn.’ Ze blies hem een kushandje toe. Daarna loste ze op in een diffuus licht dat zó fel was, dat hij zijn blik moest afwenden om niet verblind te raken.
      Een onverwacht koude vloedgolf rolde het strand op en overspoelde hem. Het water tilde hem op, smakte hem op zijn rug en trok zich terug. Achter hem klonken zuigende, zoemende geluiden. Een hand streek over zijn wang. ‘Annemiek?’ vroeg hij zo zacht dat hij zichzelf nauwelijks kon verstaan.
 
Een vrouwenstem vervlocht zich met die van een lage en welluidende mannenstem. Ze hadden het over bloedgassen en beademingsfrequenties. De sterkte van het licht nam af. Langzaam opende Thomas zijn ogen en keek om zich heen. Hij was terug in de witte ruimte. Aan het voeteneind van het bed stonden twee personen in een doorzichtig plastic pak. Ze droegen handschoenen, een mondmasker en een veiligheidsbril.
      ‘Welkom terug jongen,' zei een man. 'Je hebt geluk gehad.’ Vanachter de kunststof bril keken zijn ogen Thomas mild aan. ‘Je hebt maar vier dagen aan de beademing gelegen.’  
      ‘Waar is Annemiek?’ Zijn keel voelde rauw en droog.
      De twee keken hem onderzoekend aan. ‘Wie?’ vroeg de man.
      ‘Annemiek.’
      ‘We verstaan je niet. Spaar je energie nog even, je bent pas een paar uur van de beademing af.’
      Thomas maakte met een ongeduldige handbeweging duidelijk dat hij pen en papier wilde. De man trok een lade open van het kastje naast het bed, rommelde erin en kwam met een balpen en een lege envelop tevoorschijn.
      Waar is Annemiek? schreef Thomas. Hij liet het tweetal de vraag zien.
      ‘Annemiek?’ vroeg de vrouw.
      Rood haar, groene ogen.
    ‘Wij hebben geen Annemiek op de afdeling,’ zei de man. ‘En ook niemand met rood haar en groene ogen. Ik denk dat ze in je verbeelding zit, dat zien we vaker bij mensen die in slaap zijn gebracht. Gisteren dacht een man dat er een etappe van de Tour de France door de gangen van het ziekenhuis had geracet en vorige week zei een bejaarde vrouw dat ze met haar moeder had gesproken die al dertig jaar dood is.’
       Ze heeft me gered, schreef Thomas.
      De man en vrouw keken elkaar aan en schudden hun hoofd. ‘Rust maar even,’ zei de vrouw. ‘Er komt zo een arts naar je kijken.’
 
Vandaag mocht hij naar huis. De afgelopen week had hij hoopvol opgekeken wanneer hij voetstappen in de gang hoorde. Bijna onafgebroken zat ze in zijn hoofd en in tegenstelling tot wat ze bij het afscheid had beloofd, was het nooit Annemiek die binnenkwam.  
      Zijn ouders stapten de kamer in. Zijn moeder zei huilend hoe blij ze was dat Thomas weer beter zou worden, zijn vader pakte de tas met wasgoed. Hij hielp Thomas in de rolstoel en duwde hem door de gangen. In de hal hingen ingelijste reclames voor de werving van verplegend personeel. Sommige dateerden van decennia terug, andere waren recent. Thomas liet zijn blik over de rij afbeeldingen glijden. ‘Stop,’ zei hij en wees naar een tekening waarop een jonge vrouw met rood haar en groene ogen hem toelachte. In de ene hand had ze een bloeddrukmeter, de andere lag losjes op haar heup. Ter hoogte van haar hoofd las hij de woorden: Ik ben Annemiek en ik zoek collega’s. Eronder stond een adres en de tekst: reageren vóór 1 juli 1978.
      ‘Mooie tekening hè?’ zei zijn moeder. ‘De middag dat je hier binnen werd gebracht, kon je je ogen er ook niet vanaf houden.’
      Thomas opende zijn mond om iets te zeggen. Hij keek naar Annemiek, afgebeeld in kleurpotlood, en zweeg.
        
Wil je mijn blog liever in je mail ontvangen? Vul hier je gegevens in. Je kunt er ook een hoofdstuk uit mijn roman Zonnemeisjes aanvragen of een opmerking of vraag kwijt.


 

80. Complottheorieën

24-05-2020
Lees je ze ook op social media, de complottheorieën over corona? China wil er overbevolking mee voorkomen. Amerika gebruikt het om te beletten dat China de wereld gaat overheersen. Saudi Arabië probeert het Westen te islamiseren: door het virus gaan we gezichtsbedekking dragen en kunnen we alvast wennen aan boerka’s, waarna het een kleine stap is naar een wereldwijd salafistisch kalifaat. Of: de farmaceutische industrie heeft het virus ontwikkeld en werkt aan een peperduur vaccin waarmee ze de halve wereldbevolking kunnen injecteren. Kassa! En natuurlijk deze: de media en wetenschap moeten ons steeds banger maken zodat de regering alle vrijheden van ons afpakt en we een dictatuur krijgen waarin we verplicht onderhuidse chips dragen waarmee we in de gaten gehouden worden. Ik weet niet wat ervan waar is. Alles, niets, een beetje.
Hier is er nog een. In Putte wandel ik kort geleden langs bloeiende rododendrons in een bos op de grens van Nederland en België. Toegangswegen tussen de buurlanden zijn afgesloten. Bij Ravenshof, een kasteel op Belgisch grondgebied, is opvallend genoeg geen hek of lint te bekennen. In het Nederlandse deel van het bos kuieren Belgen langs me, vaak op een ongemakkelijk geringe afstand. Een man niest mijn richting in. En een vrouw met Vlaamse tongval begint – ook al verontrustend dichtbij – een ogenschijnlijk onschuldig praatje over het weer met me. Of ze hier mag komen, vraag ik. Geen controle, antwoordt ze. En kucht achteloos in mijn gezicht.
Ik weet het zeker: Nederland wil Noord-Brabant kwijt aan België. Altijd gedoe met die rare Brabanders. Na de mislukte eerste besmettingspoging met carnaval om de Brabantse bevolking flink uit te dunnen, gaan dit keer veel meer Belgische infiltranten Nederlandse grensbewoners infecteren. Daarna is het een kwestie van wachten op verspreiding tot iedereen in de provincie dood is of te murw om weerstand te bieden. En Brabanders op een dag geen Nederlanders meer zijn maar Belgen.
 
Vanaf juni verschijnt mijn blog om de week.
 

79. Niet lullen, zakken vullen

17-05-2020
Een tijdje gebruik ik injecties tegen hoog cholesterol. Kosten: € 6000 per jaar. Ze werken amper, dus ik stop ermee. Een artikel uit een Financieele Dagblad van 2014 kopt: ‘Onderzoek en ontwikkeling van medicijnen richten zich niet op gezondheidsbehoeften, maar op goedverkopende middelen.’ Dit betekent – in het kort –  dat de farmaceutische industrie vooral winst maakt in plaats van geneesmiddelen. En daar worden overwegend aandeelhouders beter van. De farmaceuten beweren dat de hoge ontwikkelingskosten van medicijnen hun torenhoge verkoopprijzen rechtvaardigen. Dit terwijl ze hooguit 15% van hun omzet besteden aan onderzoek en ontwikkeling, waarvan een miezerige 7,5% naar wetenschappelijk onderzoek gaat. Van elke euro die een medicijn de patiënt kost, gaat maar liefst 25% naar reclame en marketing. Ondanks miljardenboetes voor verboden marketingpraktijken en het verzwijgen van schadeclaims en bijwerkingen, is de farmaceutische industrie de meest winstgevende business die er is. En dat terwijl ze nauwelijks nieuwe medicijnen op de markt brengen die genézen. Meestal zijn het symptoombestrijders of middelen die verlichting geven. Innovatie komt bovenal van onafhankelijk onderzoek, betaald met publiek geld. Dat vervolgens voor een deel naar de pilproducenten verdwijnt, want bij financiering van onderzoeken is het betrekken van de farmaceutische sector verplicht. Soms bepalen zij niet alleen het hele onderzoek, maar besluiten ze ook of een nieuw medicijn de aandeelhouders op korte termijn genoeg winst gaat opleveren en of het daarom wel of niet op de markt verschijnt. En dat al zo’n 35 jaar.
Willen we als samenleving genezende medicijnen, aldus de schrijvers van het artikel, dan moeten we af van het denken in aandeelhouderswaarde en hebben we meer publieke betrokkenheid, financiering en geld voor onderzoek en ontwikkeling nodig. En kunnen we de farmaceutische industrie beter op afstand houden.

Ik ben geen arts of econoom, maar ik vrees dat er ondertussen weinig is veranderd. Aandeelhouders zijn nog steeds belangrijker dan de volksgezondheid. Want nog altijd wachten we op nieuwe, goedkopere en bovenal genézende medicijnen.  
 

78. Leesvoer

10-05-2020
Je kan iedere dag keukenkastjes uitsoppen en bloembedden aanharken, maar dat hangt mij de keel uit. Wandelen en fietsen vervelen niet, evenmin als schrijven en lezen. Kak dus wanneer ik al mijn boeken uitheb. Ik haal eerder gelezen romans tevoorschijn. Blijkt mijn smaak in de loop van de jaren veranderd. 
Dan maar de Marie Kondo aanpak van mijn boekenkast: wegdoen van overtollige spullen – boeken in dit geval – ruimt zowel je huis op, als je innerlijke zelf. En dat schijnt de sleutel te zijn tot een vreugdevol leven. Er gloort een blije toekomst voor me nu ik die overbodige boeken afsta aan De Boekenwurm in Roosendaal, waar ze nu op een nieuw baasje of vrouwtje wachten. Zelf adopteer ik er af en toe ook een weesboek. Of ik pluk er een uit zo’n gastvrij kastje bij een boerderij. En op woensdagmiddag doneert een mede-leesclublid een stapel.
Sinds februari ben ik lid van de bibliotheek. Daar kan ik bijna twee maanden niet terecht. Met de stapel recent verworven boeken op een tafeltje naast me, vertelt Mark Rutte op woensdagavond dat de bieb aanstaande maandag weer open mag. Natuurlijk kan ik e-boeken lenen, maar dan is een e-reader handig en die heb ik niet. Ik ben van de papieren exemplaren. Ik wil ze aanraken, ruiken en een boekenlegger tussen de pagina's stoppen. Zit er een roodkleurige vlek op een bladzijde van een tweedehandsboek van onbekende oorsprong, dan fantaseer ik over een spaghetti-incident of een afrekening in het criminele circuit.  
Heb jij een e-reader en ben je ook toe aan vers leesvoer? Wil je al tijden mijn roman Zonnemeisjes lezen maar heb je het nog niet aangeschaft? Deze maand is het een jaar geleden dat het boek uitkwam. Om dat te vieren geef ik twee e-boeken weg. Stuur me een e-mail en wie weet breng je binnenkort een paar uur – hopelijk aangenaam – door met mijn debuut. Zonder vlekken op de pagina’s.
 

Kort verhaal: Optimisme voor Gevorderden (liefde in coronatijd)

03-05-2020
‘Dit ophokken gaat maanden duren,’ zegt Henry. Het RIVM adviseert om zoveel mogelijk binnen te blijven. Om geen handen te schudden en anderhalve meter afstand te houden. ‘En die maatregelen zullen niets uithalen,’ gaat mijn man verder. ‘Let op mijn woorden: dit levert wereldwijd minstens vijftig miljoen doden op. Net als tijdens de Spaanse Griep honderd jaar geleden.’
Hem nu tot zwijgen dwingen, heeft geen zin. Na al die jaren weet ik dat hij zich door niemand laat stoppen als hij eenmaal op stoom is. Het is misschien raar, maar ik denk dat ik zelfs dat ga missen. Niet zijn knorren. Ik heb het over de voorspelbaarheid van hem waar ik me steeds meer aan ga hechten naarmate zowel de jaren als zijn ziekte voortschrijden.
‘De mensen leren het nooit,’ dendert hij verder. ‘De aarde is al overvol, dus wat mij betreft mag ook de derde wereldoorlog morgen uitbreken. Dát ruimt pas lekker op.’
Hij weigert erbij stil te staan dat zijn eigen einde dichterbij komt. Niet door het virus, hoor. Uitbehandelde kanker. Gewoon een beetje pijn in zijn rug, zoals hij zelf antwoordt wanneer iemand hem tijdens ons dagelijkse wandelrondje vraagt waarom hij zo moeilijk loopt. Dan breekt mijn hart. Ik wil hem niet kwijt. Hij lakt mijn teennagels nu ik zelf niet meer zo goed voorover kan buigen. Ik leg zijn kleren ’s morgens klaar omdat hij een slechte smaak heeft. Het is zoals in dat liedje. Ik mag altijd bij hem. En hij altijd bij mij. Daarom neem ik dat ene trekje voor lief waar ik sinds ons huwelijk  – meer dan vijftig jaar geleden – tegenaan hik. In Henry’s wereldbeeld domineert de wet van Murphy: Alles wat fout kan gaan, gaat op een keer ook fout. Urenlang zoekt hij online bewijzen van die akelige wet. Internet is een glazen bol waarin hij het meest onafwendbaar voorbeschikte noodlot plukt. Voor de wereld welteverstaan. Hem mankeert niets. Wat weten dokters nu helemaal, zegt hij wanneer we de verontrustende uitslag van zijn onderzoek krijgen. Allemaal nattevingerwerk. Hou erover op, roept hij wanneer ik opmerk dat ik me zorgen maak. Het gaat goed met mij. Je zal zien dat ik honderd word.
Wat als hij deze keer gelijk krijgt? Nu dit virus rondwaart, ben ik bang dat hij het op zal lopen. Nog steeds haalt hij iedere dag boodschappen, terwijl iedereen dit afraadt. Met de komst en verspreiding van het virus heeft Henry’s bezetenheid van Murphy’s wet – wat ik tot voor kort afdeed als fatalisme voor beginners – de gevorderdenstatus bereikt. Nog een paar maanden en hij promoveert tot de dood erop volgt. Iedereen weet dat zwartkijkers een groter risico lopen op een tragische afloop van hun ziekte dan mensen die het leven rooskleurig bekijken.
Henry’s zuurpruimerij omvat de gehele wereldbevolking. Maar waar driekwart van de mensen wat hem betreft de pijp kan uitgaan, mag ik beslist niet dood. Als er iets is wat hem de stuipen op het lijf jaagt, is het de gedachte dat ik er eerder tussenuit knijp dan hij. Daarom hangt in iedere kamer een rookmelder en beveiligt een alarminstallatie ons huis. We hebben een AED om mijn hartritme te herstellen bij een mogelijke hartstilstand. En als de bel klinkt en Henry is niet thuis, dan moet ik eerst door de spion kijken om te zien wie er voor de deur staat. Alleen voor bekenden mag ik opendoen. 
Ik weet intussen voordeel te halen uit de door hem uit angst opgelegde beperkingen. Zo reden we vroeger in één ruk naar de Zuid-Franse kust. Een paar keer scheelde het een haar of hij was achter het stuur in slaap gevallen. Mij laten rijden was er niet bij. Te gevaarlijk, beweerde hij. Ik hoefde me geen zorgen te maken, zei hij, hij wist wat hij deed. De keren dat ik mezelf achter zijn kist zag lopen omdat ik als enige de in mijn ogen onvermijdelijke botsing met een tegemoet rijdend voertuig had overleefd, zijn niet op twee handen te tellen.
En toen veinsde ik een zere rug. Beweerde ik dat de pijn verergerde tijdens lange afstanden in de auto, zelfs wanneer we ieder uur zouden pauzeren. Dat door die pijn mijn weerstand geheid zou afnemen. Wat op mijn leeftijd zou betekenen dat een verkoudheid of griepje fataal kon aflopen. Sindsdien gaan we naar Limburg.  
‘Je hoest wel erg veel, lief,’ roept hij vanuit de gang waar hij zijn jas ophangt. Hij komt de kamer in, zet de tas met boodschappen op de tafel en komt naast me zitten. Zijn ogen weerspiegelen aangeboren beschermingsdrang. Hij pakt mijn handen. ‘Heb je keelpijn? Verhoging?’
Ik knik en hoest wat in het rond. ‘Ik weet niet hoe ik het moet zeggen, maar ik heb de huisarts zojuist gebeld. Hij zegt dat het virus me weleens te grazen kan hebben.’
Zijn gezicht trekt bleek weg. ‘Wat nu? Wat kunnen we doen? Wat moet ík doen?’
‘Zolang het niet erger wordt, kan ik het thuis uitzieken. Maar je weet het nooit hè?’
‘Zo moet je niet denken, lief. Het komt allemaal goed met jou.’
‘We mogen geen enkel risico nemen, dus de komende tijd moeten we in quarantaine. Ommetjes maken door de tuin. Meedoen met Nederland in Beweging. Boodschappen thuis laten bezorgen. We gaan vrolijke boeken lezen en leuke films bekijken. Gezelschapsspelletjes doen. Even geen verontrustend nieuws op radio of tv. En geen internet. Vooral geen internet.’
              
We zijn tien dagen verder. Dankzij dagelijks twintig minuten ochtendgymnastiek op tv rollen Henry’s spieren zo soepel als mogelijk is voor een man van half in de zeventig. Ik kuch en snotter minder, maar nog altijd genoeg om Henry’s bezorgdheid niet te laten verslappen. Zoals hij zelf zei: dit kan maanden duren. Op tafel staan Risk en Monopoly, spellen waar we soms een hele middag mee zoet zijn.
Ik kijk in zijn glanzende ogen. Hij is minder kortademig. Op zijn wangen zit de gezonde blos van jaren geleden. Misschien heeft hij gelijk. Dokters kunnen zoveel vertellen. En Murphy kan de pot op. Ik heb mijn eigen wet: Alles wat goed kan gaan, gaat op een keer ook goed.
Hou erover op, zeg ik als iemand belt en vraagt hoe het met Henry’s gezondheid is gesteld. Het gaat goed met Henry. Je zal zien dat hij honderd wordt. 
 

Afl. 77 Kitsch en aandoenlijke huisvlijt

26-04-2020
In de buurt waar ik opgroeide, woonde een man die vaak in zijn achtertuin was te vinden. Over de lage heg keek ik toe hoe hij onkruid wiedde en grassprietjes knipte rondom de vijver vol waterlelies. De tuin had bloembedden in alle kleuren en tussen de zelfgemaakte molens op zelf aangelegde heuveltjes, stonden kabouters met rode puntmutsen die wekelijks van plaats veranderden. De achterbuurman noemde ze bij naam. Dat was voor mij als poppenmeisje volkomen begrijpelijk.
Kabouters zijn bijna uitgeroeid. Vandaag zien we lavendel, hortensia en siergras. Voor volwassenen die het contact met hun kinderziel hebben behouden – en ook voor kinderen natuurlijk – is dat een tikkie saai en fantasieloos. Het kan erger. In sommige wijken hebben tegelterrassen vol fietsen en huisraad de plaats ingenomen van beplanting. Of de voortuin is volgestort met zielloze kiezels waarop bloembakken vol verpieterde geraniums staan. Het treurigst vind ik die knalgroene plastic grasmatten. Dan heb je wat mij betreft alle voeling met moeder natuur verloren en zou je verplicht een week met een boswachter op survival moeten in de Ardennen.  
Bij huizen zonder voortuin, vitrage of zonwering, begluur ik graag de kitsch en aandoenlijke huisvlijt achter de ramen. Niet omdat ik het mooi vind, maar omdat ik me dan weer even dat meisje voel bij die tuin vol kabouters. Op de vensterbank van jongeren zie je Boeddha’s of een enkele plant. Ouderen hebben een voorkeur voor zelf beschilderde gipsen clowns, al dan niet gelukte boetseerwerkjes van de kleinkinderen en beeldjes van bosdieren, meisjes en herders-met-schapen. De Laven die een paar jaar geleden zo in de mode waren, zijn tot mijn genoegen uit het raambeeld verdwenen. Er zit een grens aan mijn zwak voor kitsch. 
De goedbedoelde huisvlijt en beeldjes staan meestal met de voorkant naar buiten gericht. Hebben de bewoners genoeg van al die snoezigheid? Of willen ze, net als die achterbuurman vroeger, hun pracht en praal juist graag delen met iedereen die langsloopt?
 

Afl. 76 Paarse krokodil

19-04-2020
Bij Albert Heijn sluit ik deze dagen braaf aan in de rij bij de aanlooproute. Komt iemand op rechts naar buiten, dan mag een wachtende via links naar binnen. Prima systeem. Ik begrijp waarom ik een winkelwagentje moet gebruiken. Om afstand van andere klanten te bewaren en het aantal bezoekers binnen de perken te houden. Zoiets gebeurt ook bij mijn biologische winkel. Daar moet ik een mandje pakken bij het binnengaan. Mandjes op? Winkel vol en dus even wachten tot ze worden aangevuld. Hartstikke duidelijk.
Er zijn ook dingen die ik niet begrijp. Terug bij Albert Heijn. Ik kom van rechts aangelopen. Geen mens in de wachtrij. Ik gluur de entree in. Ook niemand te bekennen. Anders zou ik vanzelfsprekend even omlopen. Nu wandel ik direct naar binnen.
‘Voortaan mag u op de officiële manier naar binnen,’ zegt een medewerkster met een geel vaatdoekje in de hand. Ze sprietst er vloeistof op en reinigt het handvat van een karretje.
‘Doe ik altijd. Maar er is hier verder niemand.’
‘Regels zijn regels.’ Het kind is hooguit achttien en kijkt me aan alsof zij een politieagent is en ik een door haar betrapte winkeldief.
Een dag later wil ik bij de HEMA geld pinnen. Op iets meer dan een armlengte van de ingang staat het pinapparaat. Ik stap de winkel binnen en duw mijn bankpas in het apparaat.
‘Mandje is verplicht, mevrouw.’
‘Ik kom alleen pinnen.’
‘Maakt niet uit mevrouw.’
‘Ik sta zowat buiten en ik ga niet verder naar binnen. Jullie assortiment begint pas dáár.’ Ik wijs naar een bak aanbiedingen.
‘U moet zich aan de regels houden, mevrouw.’
Ik pluk een mandje van de grond, klem het onder mijn arm en gris het geld uit de pinautomaat.
Nuttige regels? Hartstikke goed. Je kan ook overdrijven. Of ben ik nu de enige die aan de paarse krokodil in die reclame van Ohra moet denken?
 

Afl. 75 Zeikwijf

12-04-2020
Zeikwijf, zegt vriendin J altijd met een knipoog als ik bij haar binnenstorm om een sprintje naar de wc te trekken. 
Mijn afwatering is bovengemiddeld vlot. Ik ben een jaar of vijf als mijn moeder een operatie ondergaat en mijn broers, zus en ik tijdelijk in een nonnenklooster terechtkomen. Het duurt tot mijn zevende voordat ik ’s nachts zindelijk ben en dus is mijn één jaar oudere zus iedere ochtend de pineut: zij moet mijn bed verschonen. Denk maar niet dat de nonnen dat doen, die hangen in mijn herinnering vooral in hun hoofd de toegewijde en hulpvaardige kindervriendin uit.
Mijn zus is ook getuige van mijn meest recente plasongelukje, tien dagen geleden. We wandelen over een zandpad in een mooi natuurgebied als ik weer eens nodig moet. Links van ons liggen weilanden, aan de rechterkant loopt een spoorlijn. Bosjes of dikke boomstammen om achter weg te kruipen ontbreken. Wandelaars zijn er nu ook niet, maar die kunnen ineens vanuit die onoverzichtelijke bocht in de verte – waar wel van alles groeit – tevoorschijn komen. Gelukkig ben ik een ervaren wildplasser. Ik sjor mijn spijkerbroek naar beneden, hurk en zet de sluis open. Bijna onmiddellijk voel ik nattigheid. Ik kijk naar beneden. Mijn onderbroek kleurt in rap tempo donkerder. Ai, niet ver genoeg naar beneden getrokken. Uit met dat ding voordat alles zeiknat is. Zo vroeg in het jaar is het buiten te fris om de boel al wandelend door zon en wind te laten drogen. Ik schiet overeind en trek schoenen en broeken uit. Terwijl ik daarna sta te hannesen om mijn licht vochtige blote billen in de spijkerbroek te wurmen – de natte onderbroek verdwijnt in een zakje – rijdt er een trein langs. Kunnen de inzittenden ook eens naar iets anders kijken dan naar een reiger. Mijn zwager stuurt me later een appje. Mannen zijn goed in staand plassen, vrouwen zijn goed in zitten zeiken.
Mannen zijn goed in allebei. Soms zelfs gelijktijdig.  
 

Afl. 74 De stilte

05-04-2020
Het valt me best zwaar. De stilte. Het contact op afstand. Ik begrijp het wel hoor, we willen het virus indammen. Maar de rek is uit mijn schoonmaken, opruimen, in de tuin werken en in mijn eentje binnenshuis lummelen of tegen kat Karel kletsen. Mijn ogen zijn kubusvormig van het lezen en schrijven.
Soms moet ik eruit, wil ik niet wegzakken in somberheid. Daarom maak ik nog steeds met vrienden of kennissen een wandeling door de natuur. Op dagen dat ik binnen zit, ga ik toch even een rondje fietsen of maak ik in mijn eentje een ommetje door het bijna verlaten centrum. Ik snak naar de dag dat de nu frisse lucht in de winkelstraten als vanouds weer wordt verpest door de geuren van parfum, deodorant, sigarettenrook, vette happen, ongeluchte kleding, zweet en andere al dan niet organische dampen.
Voor een hoop mensen is dit verplichte ophokken een verademing. Eindelijk tijd om te klussen of op te ruimen. Legpuzzels en andere gezelschapsspellen zijn niet aan te slepen en ik lees dat er over negen maanden een geboortegolf aankomt. Dat vind ik raar. Hebben die lui op virusvrije dagen geen tijd voor of zin in voortplanting? Zijn voorbehoedmiddelen uitverkocht?
Overal komen mooie initiatieven van de grond. Gratis auto’s voor zorgpersoneel zonder eigen vervoer. Let wel, zodra het virus is uitgedoofd mogen ze weer met windkracht 8 op de fiets naar het ziekenhuis om mensenlevens te redden. Studenten veranderen in kinderoppas, buren doen boodschappen voor ouderen. We zijn vriendelijker. De weinige mensen op straat maken – op gepaste afstand natuurlijk – een praatje. Ook als ze elkaar niet kennen. Hartverwarmend.
Ik stel voor om van deze tijdelijke, verbroederende initiatieven een vaste gewoonte te maken. Vaker langsgaan bij de kennis die is gescheiden. Geregeld een pannetje eten brengen naar de man die sinds het overleden van zijn vrouw nauwelijks de deur uitkomt. En leuke dingen doen met die alleenstaande vriendin met kat.
 
 

Afl. 73 Zonnebril

29-03-2020
Met mijn door het virus tot een minimum teruggeschroefde aantal sociale contacten, ontkom ik er niet aan om naast schrijven andere zinvolle dagbestedingen te bedenken.
Mijn chronisch verwaarloosde tuin is een echte blikvanger. Iedere keer dat ik de boel met snoeischaar, hark of schoffel in de aanslag bekijk, zakt de moed me in de schoenen. Nu ik geen smoesje meer kan bedenken om onderhoud nog langer uit te stellen, ga ik met mijn alles behalve groene vingers met frisse tegenzin aan de slag. Een uurtje later heb ik de indruk dat ik behalve kleefkruid en klaver ook het grootste deel van de vorig jaar gekochte tuinplanten uit de tuin heb gesnokt. Toch maar even naar het tuincentrum. Als het er niet te druk is. En zodra ik zin heb.
Dan maar schoonmaken. Voor het eerst in twee jaar stofzuig en sop ik de binnenkant van mijn auto. In het boekenkastje op de overloop zet ik alle titels op kleur. Misschien is op grootte mooier. Of – dat zoekt wel zo makkelijk – op alfabetische volgorde van schrijvers. Mijn meest geslaagde klusje is de keuken. Daar glanzen de vloer, kastjes, kookplaat en oven je tegemoet. Als de zon erop schijnt, heb je een zonnebril nodig.
Als ik eerlijk ben, haal ik geen enkele voldoening uit al dat schrobben en boenen. De kookplaat zit binnen de kortst mogelijke tijd gewoon weer onder de vlekken. Is het niet van gemorst eten, dan wel door kattenpoten, omdat Karel na iedere kookbeurt als een kruimeldief op zoek gaat naar dat al dan niet gemorste eten. De eerste dagen schiet ik er meteen met sponsje en schoonmaakmiddel op af. Totdat ik besef dat het onbegonnen werk is. Trouwens, hoe verblindend mooi een tot hoogglans gepoetste kookplaat ook is: mijn zonnebril gebruik ik liever buiten. Eens per week schoonmaken vind ik meer dan genoeg. Nee, smetvrees zal ik in deze crisis niet ontwikkelen.
 

Afl. 72 Koken met Wilde planten

22-03-2020
Een vriendin trakteert op een workshop Koken met wilde planten. Leuk en origineel. Met zes vrouwen – er gelden nog geen strenge corona-maatregelen – zitten we in een voormalige stal, omgetoverd tot kookruimte. De gastvrouw begroet ons met heerlijke mini-appeltaartjes, opgetuigd met een blauw bloempje. Ze schenkt thee van planten die ze eerder die ochtend in haar overwoekerde weilandtuin heeft gewied. Het brouwsel ruikt en smaakt naar water dat maanden in een bemoste regenton heeft gestaan. Ze verdeelt de taken. In de wei van kniehoog onkruid – ik bedoel wilde planten – mag ik de ingrediënten oogsten voor een kruidenpesto. Smalle weegbree, heilzaam bij aambeien. Ontgiftend kleefkruid, bloedreinigend fluitenkruid, laxerende dovenetel en jonge blaadjes van de paardenbloem, fijn voor de lever. In de keuken hak en vermaal ik alles tot een brei. Citroen, olie, olijven en cashewnoten verdoezelen de ergste bitterheid. Maar eerlijk: op de door iemand anders gemaakte zadencrackers is de pesto verrassend smakelijk.
De vriendin heeft zich intussen uitgesloofd op een wat de gastvrouw dwars-door-de-tuinsoep noemt. Het drab oogt als afwaswater waar de vuile vaat van een week doorheen is gehaald en heeft de smaak van te lang stilstaand zeewater met opgebaggerde plantenresten. Ik mompel dat ik het niet lekker vind en schuif het bord van me af, waarop de gastvrouw me een venijnige blik toewerpt. Het hoofdgerecht bestaat uit iets ayurvedisch met een ingewikkelde naam, zuurkoolsalade en lente risotto. Ik zeg dat ik met een beetje wil beginnen, mocht ik het niet lusten. De gastvrouw bijt me toe dat ik met mijn woorden anderen negatief kan beïnvloeden. Ik voel me een schoolmeisje dat van de juf op haar lazer krijgt. Voorzichtig proef ik de hoeveelheid van een theelepel. Lekker. Daarna schep ik mijn bord vol. De gastvrouw knikt goedkeurend.
Voor iedereen een tip: Gooi onkruid dat je tussen de tegels schraapt niet meteen in de groenbak. Trek er eens een niet per se heerlijke, maar wel heilzame thee van.
 

Afl. 71 Boekenweekessay

15-03-2020
In Generaal zonder leger heeft Özkan Akyol het onder andere over een intussen veel geplaagde boekverkoper die zich schuldig maakt aan minachting van lezers. Geniet je bijvoorbeeld van De Zeven Zussen, dan betitelt hij je als niet-lezer.
Die boekhandelaar is volgens mij niet de enige die meent dat vooral lezers van boeken van vrouwelijke auteurs niet-lezers zijn. Chicklit is literatuur speciaal voor ‘kippetjes.’ Werk voor ‘haantjes’ heeft geen predicaat. Dat wordt trouwens ook door kippetjes gelezen, terwijl haantjes zelden een roman inzien van kippetjes. Heeft iets met het mannelijk vermogen tot inleven te maken, denk ik.
Er zijn ook vrouwen die neerkijken op werk van hun seksegenoten. Corina Koolen is gepromoveerd met een proefschrift over de waardering van vrouwelijke schrijvers. Deelnemers – m/v – aan een nationaal lezersonderzoek, kunnen niet verklaren waarom ze ‘vrouwelijk’ bestempelen als laag-literair (ik denk dus als werk van niet-schrijvers) en ‘mannelijk’ als hoog-literair. Romans van mannelijke auteurs krijgen de beste beoordelingen en ook de top-10 van meest gewaardeerde romans is door mannen geschreven. Koolen onderzoekt of vrouwen echt zo anders schrijven dan mannen. Besteden ze meer woorden aan het beschrijven van het uiterlijk? Nee. Dat is voorbehouden aan mannelijke auteurs. Schrijven vrouwen dan emotioneler over gezin of uiterlijkheden? Ook niet waar. Koolens advies: Lees romans van vrouwen en doe alsof ze zijn geschreven door een man.   
Ik stel voor dat je dan ook dit beantwoordt: Wat vind je vanTurks Fruit van Janine Wolkers, geschreven vanuit het perspectief van Olga? En trekken romans van Renato Dorrestein met mannelijke hoofdpersonages wél veel mannelijke lezers? Het is toch te gek voor woorden dat schrijfsters soms een mannelijk pseudoniem aannemen om serieus te worden genomen? Zo veranderen de zusjes Brontë in de gebroeders Bell en schrijft J.K. Rowling af en toe als Robert Galbraith.
In zijn essay somt Eus zeven mannelijke schrijvers op van wie hun romans hem hielpen bij het ontwikkelen van zijn eigen stijl. Geen enkele vrouw. Beschouwt Eus, net als die deelnemers aan het lezersonderzoek, vrouwen ook als niet-schrijvers?
 
 

Afl. 70 Ik wil het er niet over hebben

08-03-2020
Even Apeldoorn bellen. Of: Er is geen betere. Het schijnt dat je een slagzin zo’n twintig keer moet horen of lezen voordat hij in je hersenen zit gebakken. Zou het ook zo werken met meldingen over het coronavirus?
Eigenlijk wil ik het er helemaal niet over hebben, maar na twintig miljoen berichten en de eerste – hoogbejaarde – dode in Nederland, kan ik er niet meer omheen. Heel even is mijn anders sluimerende angst voor akelige ziekten klaarwakker. Het pijntje tussen mijn schouders dat ik overdag wijt aan een uurtje onderuitgezakt zitten, verandert ’s nachts in een fatale longontsteking. Die de volgende ochtend gelukkig op wonderbaarlijke wijze is genezen. En die paar keer hoesten. Het zal toch niet..? Dat de helft van de Brabanders na carnaval een poosje grieperig of verkouden is, vergeet ik even. En wat betekent dat niezen? Waarschijnlijk dat ik mijn huis weer eens moet stofzuigen. In de krant staat dat driekwart van de mensen eraan moet geloven, waarbij vooral veertigplussers de dupe zullen zijn. Economieën gaan wereldwijd in elkaar donderen. Een nog dreigender bericht: deze op handen zijnde pandemie zou weleens meer levens kunnen eisen dan de twintig tot honderd miljoen doden die er in 1918/1919 tijdens de Spaanse griep vielen.
Zal ik de logeerkamer volstouwen met wc-papier, rijst, pasta, bonen en andere houdbare producten? Leg ik een mat met ontsmettingsmiddel onder het kattenluikje? Want wat als Karel het virus ook kan oppikken en het op mij kan overdragen? Moet ik hem en mij een mondkapje voordoen? En vogels? Hoe zit het daarmee? Is het verstandig om voorlopig twee meter afstand van alles en iedereen te houden en ieder kwartier mijn handen te schrobben met Dettol?
Hou op zeg. Natuurlijk let ik op en doe wat verstandig is, maar ik laat me niet gek maken.
 

Afl. 69 Lentekriebels

01-03-2020
Deze week geen blog. Zitproblemen en dus weinig achter de laptop. Hoe dat komt? Uit de hand gelopen lentekriebels. Vorige week vrijdag kijk ik mijn tuin in. Verdorde bladeren, kale planten en een hoop onkruid. Storm Ellen mag in aantocht zijn, ook maart komt in zicht. De hoogste tijd om mijn klimrozen tot op een paar centimeter boven de grond af te knippen. Ik leen een lange snoeischaar van mijn buurman en ga kwiek aan de slag. Een poosje ben ik verwoed bezig met de soms centimeters dikke takken, als ik in mijn onderrug een zeurderige pijn voel. Genoeg gekortwiekt voor vandaag. Een half uur en een kop thee later is de pijn verdwenen. De volgende dag trekt de carnavalsoptocht door Roosendaal. Al jaren bekijk ik die ‒ verkleed als rechercheur in burger ‒ met mijn zus en zwager. Vanwege de storm ontbreken er een paar hoge praalwagens, andere zijn van windgevoelige uitsteeksels ontdaan. Al na een uur rijdt de prinsenwagen met ingeklapte voorkant langs. Daarna wil ik een warm bad nemen. Thuis draai ik de kraan open, kleed me half uit en buig voorover om de temperatuur van het water te peilen wanneer een gloeiend mes zich in mijn onderrug boort. Daar sta ik dan, voorovergebogen in een hoek van negentig graden. Neemt mijn rug alsnog wraak voor mijn eerdere tuiniersactiviteiten. Het duurt minuten voordat het me, nog steeds gebogen, lukt om mezelf als een krab in zijwaartse richting naar de telefoon in de kamer te schuiven om mijn zus om hulp te vragen. Een paar dagen sjok ik door het huis als een stramme bejaarde. Op donderdag loop ik min of meer rechtop en vrijdags gaat het bijna als vanouds. Nu voel ik alleen nog pijn als ik te lang zit of wanneer ik opsta. Volgende week sjort de manueel therapeut de wervel in de juiste houding. En kan ik weer alle tijd aan een stukje besteden.

Afl. 68 Dozendaal

23-02-2020
Mijn woonplaats Roosendaal. Aardige mensen. Bijzondere winkels, leuke evenementen, fijne terrassen, het beste theaterrestaurant van Nederland en een winkelpassage met bijna vier sterren op Tripadvisor. Er is meer. In de omgeving vind je bossen, watertjes, heide en platteland. Hier wil je toch onmiddellijk een dag van komen genieten of meteen naartoe verhuizen?
Er is een maar. Ben je op zoek naar architectonische of geschiedkundige pareltjes, dan heb je voorkennis nodig of een gids met een loep. Roosendaal staat in de top 5 van Treurtips, een gids van Mark van Wonderen over Nederlandse plaatsen van een ‘aandoenlijke treurnis en lelijkheid.’ Hecht je als toerist of mogelijk toekomstige inwoner geen waarde aan fraaie monumenten en word je net als Van Wonderen blij van steden van een weerzinwekkende schoonheid, dan zit je in Roosendaal gebakken.
Het gemeentebestuur is al een tijdje bezig de aandoenlijke treurnis van de stad uit te breiden naar het buitengebied. Wat dankzij een even simpel als briljant plan al aardig vorm krijgt. De opmars van enorme betonnen distributiedozen is niet te stoppen. Deze grauwe reuzen beginnen de eens zo landelijke vergezichten en rustige buitenweggetjes ten noordoosten van de stad te verdringen. Een gevaarte van 112.000 vierkante meter en 15 meter hoog gaat de kroon spannen. Natuurlijk gunt de gemeente omwonenden dat ze van zo dichtbij mogelijk van dit juweeltje kunnen genieten. Het gebouw verrijst met een afstand van 40 meter daarom zowat in de voortuin van de huizen die er tegenover staan. Deze bofkonten van bewoners worden natuurlijk net zo vrolijk van deze treurige lelijkheid als de bestuurders van de stad. En ze glimmen vast ook zo van trots bij het horen van de nieuwe bijnaam van Roosendaal: Dozendaal.
Dit jaar is het carnavalsmotto van Roosendaal: Draai ’t mar om. Dat slaat gelukkig niet op de bouwplannen van de gemeente. Die verdienen alle lof. Want dankzij hun inzet en visie bereikt  de stad binnenkort misschien wel mooi de eerste plaats van Treurtips.
 

Afl. 67 Drie vliegen in één klap

16-02-2020
Als ik de tachtig haal, wil ik niet een van die oudjes zijn die zich afvragen hoe laat het achtuurjournaal ook weer begint. Om de huidige stand van zaken van mijn geestelijke vermogens in kaart te brengen, doe ik online een paar gratis IQ tests. Waar geen pijl op valt te trekken: de scores bungelen tussen net niet zwakzinnig en een pietsje hoogbegaafd. Ik besluit dat ik een gemiddeld intellect heb en dat ik er maar op moet vertrouwen dat anderen me het laten weten wanneer ik de plank op geestelijk gebied mis begin te slaan.
Ons denkvermogen heeft prikkels nodig om actief en alert te blijven. Nieuwe mensen ontmoeten, op reis gaan en uitdagende puzzels oplossen helpen daarbij. Daarnaast moeten we natuurlijk voldoende blijven bewegen. Een Amerikaans psycholoog beweert dat een combinatie van sport en muziek goed is voor lichaam, geest én hersens en dat het beluisteren van muziek tijdens sporten positief zou bijdragen aan het menselijk welzijn. Dit komt omdat we daarbij onze voorste hersenkwab gebruiken, het deel van ons brein dat gekoppeld is aan ingewikkelde mentale functies als abstract denken en vooruit plannen. Om te zien of het betoog van die psycholoog wel klopt, voeren onderzoekers een test uit. Deelnemers aan dat onderzoek krijgen een letter van het alfabet. Het is de bedoeling dat ze zoveel mogelijk woorden die beginnen met die specifieke letter, verzinnen en onthouden. Na het trainen zonder muziek merken de onderzoekers geen verschil. Luisteren de deelnemers tijdens het sporten naar een prettig deuntje, dan bedenken en onthouden ze twee keer zoveel woorden. 
Je voelt je dus prettiger én je wordt behalve fitter ook nog eens slimmer wanneer je tijdens het beklimmen van de Cauberg mee blèrt met Frans Bauer op je koptelefoon, of als je naar een kerkorgelrecital of hardrockconcert luistert terwijl je op je hometrainer een denkbeeldige etappe van de Tour de France aflegt. Drie vliegen in één klap. Wat willen we nog meer.

 

Afl. 66 Mondgewoontes

09-02-2020
Ik kauw weleens op de binnenkant van mijn wang. En ik span soms mijn kaakspieren aan of maak snuivende geluidjes. Misschien doe je het zelf ook of herken je het bij anderen. Zenuwtrekjes. In een eerdere blog vergeleek ik mensen met paarden; een Zeeuwse koudbloed knol raakt minder snel overprikkeld dan een vurige Arabier. Menselijke Arabische volbloeden knipperen met hun ogen of friemelen met hun handen. Ze laten hun vingers roffelen en hun voeten trappelen en kunnen een hele mikmak van andere (on)hebbelijkheden vertonen. Soms krijgt ook de omgeving dat allemaal te verduren. Zie je zo’n hittepetit weer eens aan haar lip plukken of hoor je een druktemaker knagen aan of tikken met zijn balpen, dan wil je er toch het liefst tandenknarsend vandoor gaan of de zenuwpees met een stem op megafoonsterkte vragen ermee op te houden?  
Die aanwensels zijn manieren om spanning los te laten, zegt mijn fysiotherapeute terwijl ze zich bezighoudt met mijn rug. Mijn aanwensels noemt ze vriendelijk mondgewoontes. Ik krijg een papier met adviezen. Wangen opbollen en de lucht tussen je lippen naar buiten persen. Je van je gewoonte gewaar worden en tijdelijk een andere kiezen. Je kan bijvoorbeeld met een paperclip spelen of aan je ring draaien. De paperclip valt steeds op de grond en ringen draag ik alleen als ik ergens naartoe ga.
Ik heb de meeste soesa met die zenuwtrekjes, eh, mondgewoontes, wanneer ik eet. En daarom trommel ik voortaan boven mijn bord Brinta met beide voeten de drumsolo uit Radar Love, speel ik tijdens een boterham met kaas het vijfde pianoconcert van Beethoven met mijn vrije hand op het tafelblad en blaas ik tussen de happen spinazie en aardappel door de tubapartij van een door mij zelf gecomponeerd stukje marsmuziek.  
Als ik niet oppas, zit ik straks met een verzameling nieuwe mond-, hand- en voetgewoontes. Of ben ik in te huren als eenpersoonsorkest. Voor al uw feesten en partijen.
 

Afl. 65 We hebben veel geleerd

02-02-2020
In Den Bosch bezoek ik de overzichtstentoonstelling ‘Design van het Derde Rijk’.
Indrukwekkend. Beklemmend. En verbazingwekkend, hoe zoveel mensen zich in die jaren laten inpalmen door de woorden van één megalomane man met een zieke geest. Vijftig tot zestig miljoen doden. Dat nooit meer, roept de wereld na afloop van de Tweede Wereldoorlog.
We kunnen die gek natuurlijk alle schuld geven van wat er in die tijd gebeurt, maar laten we wel wezen: Hitler maakt alleen zijn gedachten vuil. Niet zijn handen. Daar heeft hij volgzame militairen, boeren, burgers en buitenlui voor. Want met zijn doortrapte ideologie vervuilt Adolf appeltje-eitje ook hun gedachten. Waarna die anders zo verstandige mensen zonder enige gewetensbezwaren hun joodse buren aangeven, die vervolgens een enkeltje Polen krijgen en in veewagons worden afgevoerd, opeen gepropt met Roma, Sinti, homoseksuelen, gehandicapten en dwarsdenkers.
Gelukkig hebben we sindsdien veel geleerd. Regeringsleiders gaan door het stof. In eigen land biedt Rutte na de publieke verontschuldigingen aan de joodse gemeenschap, nu ook formeel zijn excuses aan voor de wandaden die Nederlanders hebben begaan tijdens de onafhankelijkheidsstrijd in Indonesië. Mensen als Wilders en Baudet en religieuze leiders laten het tegenwoordig uit hun hoofd om andersdenkenden en andersgelovigen te stigmatiseren, veroordelen of te verketteren. Hun nieuwe lijfspreuk: we zijn allemaal gelijkwaardig.
Ook wereldwijd maken we sinds 1945 sprongen voorwaarts. Tijdens de Koreaanse oorlog vallen er maar een paar honderdduizend doden, net als later in de Golfoorlog. Oké, er zijn uitschieters met vier miljoen slachtoffers in de Vietnam oorlog en twee miljoen in Cambodja gedurende het schrikbewind van de Rode Khmer. Maar de score in Syrië bedraagt tot nu toe hooguit een half miljoen en in Afghanistan en Jemen zijn het er zelfs nog minder.
We gaan de goede kant op. Voor de zekerheid schaffen we alle godsdiensten af en krijgen de machtswellustige testosteronbommen van wereldleiders verplicht een behandeling met oestrogeen.
Nee, wij hebben niets te vrezen. Toch? 
 

Afl. 64 Aan de stok

26-01-2020
Zes jaar ben ik niet op vakantie geweest. Lijf doet het niet altijd naar behoren en hoofd staat er weleens niet naar. Dit jaar wil ik het erop wagen en wel naar Frankrijk, net als veel Nederlandse stellen en gezinnen. En dan overnachten in een hotel, want kamperen is aan mij niet besteed. Bij gebrek aan man en kroost kan ik in mijn eentje op pad gaan, maar daar heb ik echt geen zin in.
Ik googel ‘groepsrondreis Frankrijk’ en krijg organisaties met kuddes van wel veertig personen. Propvolle programma’s met bijna iedere dag een nieuwe bestemming en ook iedere dag uren zitten schommelen in een bus. Mooi niet. Een wandelvakantie dan? Kleine groep. Acht dagen Provence, lichte wandelingen vanuit één standplaats. De prijs is schrikken. Maar ik ben toe aan even weg uit eigen land.
Ik wil die week wel mee, zegt vriendin D. aan wie ik mijn voornemen vertel. We kiezen voor zes dagen samen wandelen vanuit een B&B in de Morvan, een streek in de Bourgogne.
Mijn evenwicht is de laatste jaren wat gammel geworden. Ik moet dus dapper aan de bak op heuvelachtig terrein. D. wandelt er al geregeld flink op los in mooie geaccidenteerde gebieden in Europa. Ik zoek en vind mijn wandelstok die nog dateert uit de tijd dat ik uitdagende bergwandelvakanties aankon. Twee dagen later kuier ik een paar uur met oud-collega F. over de Oude Buisse Heide. Het eerste halfuur lijkt het alsof ik met de stok monsters wil doodprikken die zich in het zand ophouden. Al snel doorstaan stok en ik behendig de grootste oneffenheden. De volgende dag banjer ik met vriendin P. over hobbelig terrein en neem moeiteloos een woeste hoogte van wel vijftien meter. Binnenkort gaan D. en ik de vijftig meter hoge duinen bij Zoutelande bedwingen. En eind april op naar het echte wandelwerk in de Morvan.
De wereld ligt weer evenwichtig onder mijn voeten. Lang leve de wandelstok.
 

Afl. 63 Daten

19-01-2020
Je kan gaan daten, hoor ik een vrouw tegen een andere zeggen.
Ik denk aan mijn eigen ervaringen. De laatste twee afspraken dateren van 2013. En die mannen zal ik niet snel vergeten.
Met de eerste spreek ik af op een Roosendaals terras. Militaire uitstraling, niet het type waar ik direct op val. Vooruit, denk ik, weg met die vooroordelen! Ik kan aardig kletsen, maar vergeleken hem ben ik een stille muis. Al snel weet ik alles over zijn ex, zijn werk (hij is dus echt een beroepsmilitair), zijn eetgewoonten en hoe goed en slim en gevoelig hij wel niet is. Geeuw.
Wil je ook iets over mij weten? vraag ik na zijn monoloog van een halfuur even scherp als ik het bedoel. Of blijf je liever over jezelf lullen? Waarop hij me uitmaakt voor ongevoelig kreng. Terwijl hij binnen naar de wc gaat, knijp ik er tussenuit.
In het profiel van de tweede staat dat hij een joviale levensgenieter is. Hij nodigt me joviaal uit voor een lunch op zijn kosten in het Kurhaus. Wanneer ik hem op het station in Den Haag begroet, wil hij liever naar een Chinees. Daar stouwt hij een driegangenmenu naar binnen en besproeit alles rijkelijk met bier. Het is elf uur, ik houd het bij thee. Of we de rekening kunnen delen, durft hij te vragen. Mijn gezichtsuitdrukking zegt genoeg, waarna hij ‒ gul als hij beweert te zijn ‒ ook mijn thee dan maar betaalt.
We wandelen de stad in. Ik krijg trek in een tosti en zeg ‒ gul als ik dan maar zal zijn ‒ dat ik hem op thee trakteer. Waarbij hij meteen het duurste gebak van de kaart bestelt. Tussen twee happen door vertelt hij ook nog even dat hij werkloos is en wat extra’s bijverdient door zijn voormalig werkgever te chanteren. Waarop ik zeg dat ik naar huis ga.
Niet even lekker seksen? vraagt hij bij het afscheid.
Wil je je als single af en toe mateloos verbazen? Ga daten.

 

Afl. 62 Kattenkots

12-01-2020
De titel verraadt het al: dit wordt een onsmakelijk stukje. Over kotsende katten. Of ik dat niet netter kan omschrijven? Nee. Overgeven geeft een te ingetogen beeld van wat katten soms flikken. Er kunnen haarballen dwarszitten. Of ze vinden iets wat in staat van ontbinding verkeert en niet zo lekker valt. Meestal komt het door gulzigheid.
Van mijn eerdere katten is Fred Kampioen Kotsen. Bij voorkeur midden op het vloerkleed, zodat het niet tegen zijn poten spettert. Eén keer staat hij op de overloop te kokhalzen. En glop, daar spuit een brei van brokjes in verschillende stadia van vertering al over de trap, om trede voor trede naar beneden te druipen.
Karel is vriendelijk, grappig en niet al te slim. Hij is de eerste kat die vaak luistert wanneer ik hem roep. Binnenshuis werkt zijn peristaltiek nooit tegendraads. Ik heb zelfs nog geen haarbal zien liggen. Ben je een kattenliefhebber, dan zul je denken: ideaal huisdier. Dat is hij ook. Ik bof maar met deze schat van een asielkat. Op één ding na. Karel is geobsedeerd door eten. Zodra hij me ziet na een afwezigheid van langer dan vijf minuten, begint hij te jengelen. Hij schrokt alles op. Kattenvoer, spinazie, banaan en sojayoghurt.
De dierenartsassistente adviseert me om hem tijdje te overvoeren, dan leert hij het waarschijnlijk wel af. En dus laad ik zijn bakje tot aan de rand toe vol brokjes, die hij boerend en zonder kauwen naar binnen gaffelt. En even later uitspuugt. In de jaren dat ik meer katten heb, eten ze elkaars uitgebraakte prakkie nog wel eens op. Ha, warm eten! Hoef ik de rommel zelf niet op te ruimen. Karel laat zijn kots links liggen. En rechts, voor en achter. Jengelen doet hij niet meer. Wel dijt zijn buik uit. En dus geef ik hem langzaam steeds minder eten, precies zoals de dierenartsassistente me aanraadde.
Het kotsen neemt af. En het jengelen helaas weer toe.
 

Afl. 61 Bordercollies en lijdzame schapen

05-01-2020
Met mijn zus naar de film Cats.
We genieten van de decors, van ballerinapoes Victoria, van de bejaarde broosheid van Deutoronomy en van de wanhopige Grizabella die de meest doorleefde versie van Memories zingt die we tot nu toe hebben gehoord.  
In de zaal zit nog een handvol mensen die zich niet hebben laten beïnvloeden door de barslechte kritieken. Cats zou een belediging zijn voor de schrijver van de musical en voor de hele sterrencast. Het zou een hopeloos mislukte verfilming zijn met een flinterdun verhaal. En de katten zouden soms pornografisch ogen.
Die preutse Telegraafrecensent heeft zeker nooit het ballet De Notenkraker gezien. Met ook een mager verhaal, over speelgoed dat tot leven komt. Ballerino’s hupsen er rond in strakke maillots met een ferme bobbel tussen de benen. Zijn schriele verhaallijnen en kostuums die niets te raden overlaten alleen geoorloofd bij ballet en musicals?
Boek- en filmrecensenten zien zichzelf graag als de onmisbare bordercollies die lijdzame lees- en kijkschapen de juiste richting in moeten loodsen. Een boek of film is pas goed bij de gratie van hun mening, want zij hebben er verstand van. Hoezo verstand? Het is toch een kwestie van smaak? En waarom zou hun smaak belangrijker zijn dan die van iemand die iedere maand drie boeken leest of wekelijks naar de bioscoop gaat?
Denk even aan Youp van ’t Hek die ooit uitriep dat hij een hekel had aan drinkers van dat gereformeerde Buckler bier. Binnen de kortste tijd lieten de bierdrinkende schapen het merk links liggen en was het van de markt verdwenen.
En dat is precies wat er met afgekraakte boeken, films en dit keer met Cats gebeurt. Ze worden een flop omdat gedweeë blaters zich door die herdershonden van recensenten een bepaalde hoek in laten blaffen.
Voor al die onderdanige schapen: lees zelf dat afgebrande boek en kijk zelf die afgekraakte film en vorm daarna je eigen‒ misschien wel juichende ‒ mening.     
 
 
 
 
 
inDelen