Korte verhalen voor op vakantie deel 1: De Terugval

09-07-2021
‘Ik wil dat je nu vertrekt,’ zegt Emilie.
Mijn handen blijven boven het toetsenbord hangen.
Eén terugval. Meer was er niet nodig om sinds vanochtend gewelddadige scènes uit The Godfather voor me te zien met mij als doelwit. Ik moet iets doen of ik kan fluiten naar een toekomst als beroemd en rijk schrijver op een Caribisch eiland. Ik pak het glas likeur van de tuintafel en neem een slokje. Had ik maar niets opgebiecht. Eerlijk duurt niet altijd het langst.
‘Zie je die zwam tegen die stam?’ vraagt ze. ‘Dat ben jij. Een parasiet die de boom uitholt totdat hij van ellende in elkaar dondert.’   
 
Tien maanden geleden. Ik was een halfjaar uit de gevangenis en stond met een stapeltje daklozenkranten bij Albert Heijn toen Emilie de supermarkt uit kwam wiegen. Haar hele verschijning straalde welvaart en wellust uit. In de linkerhand een boodschappentas, aan de rechterarm een onbeschoft dure damestas. Ze zette de tas met boodschappen op de grond en wreef haar handen.
‘Hulp nodig?’
‘Graag. Mijn auto staat daar.’ Zelden had ik een bekaktere en tegelijk sensuelere stem gehoord. Ik kwakte de daklozenkranten in een afvalbak en droeg de boodschappentas naar haar Jaguar.
‘Wat doet zo’n knappe kerel als jij hier?’
‘Wachten op een knappe vrouw als jij.’
‘Bof jij dat ik gevoelig ben voor vleierij. Ga je mee bij mij iets drinken? Iemand die daklozenkranten verkoopt gaat toch niet naar huis.’
‘Bof jij dat ik ongevoelig ben voor beledigingen anders was ik met die Hermès weggerend.’
‘Hoe herkent een man als jij dat merk?’ Ze klemde de handtas stevig vast.
‘Vriendinnetje gehad met zo’n ding.’
    
Voordat ik aan lager wal raakte verkeerde ik in de hoogste kringen. Mijn vaders droom dat ik op een dag het roer van het familiebedrijf van hem zou overnemen spatte uiteen toen hij erachter kwam dat ik grote sommen geld naar mijn privérekening op de Kaaimaneilanden doorsluisde. Na afloop van drie jaar gevangenisstraf kwam ik nergens aan de bak. Mijn moeders voorspelling dat ik alle slechte eigenschappen van haar sukkel van een vader en sukkel van een opa had geërfd en dat ik net als die twee naar de verdoemenis zou gaan was aardig op weg om uit te komen. Uit schuldgevoel dat zij me met die zwakke genen had opgezadeld gaf ze me een geldbedrag. Genoeg voor een nieuwe start. Die in een casino begon. En eindigde. Ook mijn moeder trok haar handen van me af. Ik zat gevangen in de mannelijke familietraditie van opkomst, kortstondige bloeiperiode en onafwendbaar verval.
    
Emilie droeg de achternaam van haar overleden man, zei ze. Grijsdrager, een aristocratisch geslacht. Ik stapte het landhuis van de gestorven jonkheer binnen en kwam in een hal waar geschilderde voorname dames en heren elkaar aanstaarden. Uit een hondenmand kroop een teckel.
‘Diederik,’ zei ze en wees naar een schilderij waarop een oudere man stond afgebeeld. ‘Vorig jaar gestorven.’
Een man van onduidelijke leeftijd kwam op ons af. Emilie overhandigde hem de tas met boodschappen. ‘Tom, dit is Bruno de butler. Bruno, dit is Tom de daklozenkrantverkoper.’ De butler knikte gedienstig en verdween achter een deur.
Mijn blik viel op een ander schilderij. Op het dek van een driemaster stond een man met een musket. 1653 - Maurits Grijsdrager las ik op een verguld plaatje.
‘Die Maurits heeft nooit gevaren,’ zei Emilie. ‘Ook Diederik vertelde graag sterke verhalen om interessant over te komen.’ Ze legde haar hand op mijn borst en liet haar vingers naar beneden kruipen. ‘Wat hem zelden is gelukt.’ Ze haakte haar vingers achter de band van mijn broek. ‘Zoals er bij hem wel meer niet uit de verf kwam.’ Ze wees naar het schilderij van Maurits en keek me aan. ‘Jouw oorlogsbodem mag mij gerust een keer rammen.’
Ik trok haar tegen me aan. ‘Ik ga jou vol midscheeps enteren.’ Wat ik ter plekke deed.
Dat ik na mijn geslaagde openingsoffensief bij haar bleef was vanzelfsprekend.
 
Ik typ de laatste zin van het manuscript, een autobiografie over mijn verleden als oplichter en gokker. Gisteren liet Camiel – uitgever en Emilies broer – weten dat hij het wilde uitgeven. Van mijn blijdschap van gisteren is niets over. Ik klap de laptop dicht en nip weer van de likeur. Appel-peer met een vleugje munt. Emilie maakt likeuren van vruchten en kruiden. Een tijdje geleden stootte ik in haar plantenkas een jampotje met een loszittend deksel omver. Tuinkruiden voor een nieuwe smaak likeur dacht ik en liet de blaadjes op de grond liggen. Later lag de teckel dood tussen de gemorste tuinkruiden. Emilie aaide haar morsdode hondje. ‘Gif,’ zei ze. ‘De ratten hier zijn soms zo groot als een… teckel.’
    
Ik weet niet of het kwam omdat mijn boek zou worden uitgegeven of dat het aan mijn zwakke genen van moeders kant lag dat ik gisterenavond een onbedwingbare drang kreeg om naar het casino te gaan. Terwijl Emilie voor de tv in slaap was gevallen sloop ik met de duizend euro die ik uit haar lingerielade had gehaald naar buiten. Binnen een kwartier had ik het verspeeld. Om het bedrag terug te winnen leende ik geld van de baas van het speelhuis. ‘Maandag terugbetalen of je maakt kennis met alkalische hydrolyse. Wat er dan van je overblijft kan je opvegen met veger en blik.’
Ik wist zeker dat ik op deze echt allerlaatste gokavond zou winnen. Ik zat ernaast. En nu Emilie geen begrip voor mijn terugval wil opbrengen moet ik nog een graai doen in haar lingerielade voordat ik maandag als poeder in een vat heet water eindig.
Ik volg haar de hal in. ‘Toe nou schatje, ik heb er ontzettend veel spijt van. Zodra mijn boek gaat verkopen betaal ik je alles terug. Als ik maandag niet met het geld over de brug kom word ik vermoord.’
‘Je hebt beloofd dat je nooit meer zou gokken, Tom.’ Ze kijkt naar het portret van haar overleden man. ‘Diederik was saai en een waardeloze minnaar maar mijn vertrouwen heeft hij nooit geschonden.’
‘Die arme Diederik moest eens weten.’
Een tijdje staan we zwijgend naast elkaar.   
‘Weet je, ik ben de beroerdste niet. Als jij boven je spullen bij elkaar gaat zoeken maak ik iets lekkers voor ons. Het zou wreed zijn om je met een lege maag de deur uit te zetten.’
Boven trek ik haar lingerielade open. Het geld is weg. Ik moet tijd winnen om het te vinden. Dan kan ik de casinobaas betalen en het boekcontract met Camiel tekenen.
Ik pak het potje met tuinkruiden die geen tuinkruiden zijn uit de plantenkas. In de woonkamer doe ik een snufje in de cocktail die ik voor Emilie maak.
    
We zitten aan de tuintafel. Emilie prikt in een salade, ik lepel groentesoep op. ‘Is het dwaas dat ik nog steeds hoop dat ik mag blijven?’
‘Zinloos.’
Mijn lichaam voelt zwaar en loom. Doodsangst is knap vermoeiend. ‘Ik kan mijn ogen amper openhouden. Mag ik nog een nachtje blijven slapen?’
Ze pakt mijn laptop. ‘Camiel denkt dat je boek geheid een bestseller wordt.’
Bruno komt de tafel afhalen.
‘Je bent van gedachten veranderd? Geweldig. Ik stuur hem zo de definitieve versie.’
‘Daar zou ik me maar niet druk om maken.’
Mijn blik wordt wazig.
‘Je bent binnen een halfuur dood. En kijk niet zo bang, het is pijnloos. Dat hebben we bij Diederik gezien, toch Bruno? Ik draag het boek op aan jou. Zo jong overleden aan een hartstilstand.’
Ik heb moeite met slikken. ‘De soep?’
Ze knikt.
‘Maar waarom?’
‘Je weet toch dat het ook bij mensen werkt?’ 
 
‘Jammer dat je geen afscheid van Diederik kon nemen,’ zei ik toen ze vertelde dat Bruno en zij hem dood in bed hadden gevonden. Ze schonk onze glazen nog eens vol. Eerder die avond had ik haar van mijn verduisteringspraktijken en goklust verteld en beweerde zij dat ik er een boek over moest schrijven.
‘Kan je een geheim bewaren?’ vroeg ze met dubbele tong. ‘Diederik had mij met Bruno betrapt en wilde de notaris bellen om zijn testament te laten wijzigen. De volgende ochtend was hij dood. De arts zei dat ik dankbaar moest zijn dat Diederik verder leed bespaard zou blijven.’
‘Wat is het geheim?’
‘Mijn rattengif werkt dus ook op mensen.’
 
‘Ik kan je niet vertrouwen,’ zegt ze. ‘Als je de politie belt raak ik alles kwijt. Dat begrijp je toch?’ Ze geeuwt. ‘Ik ga naar bed. Bruno, bel jij 112 zodra je zeker weet dat hij dood is?’ Ze drukt zich op maar het lukt haar niet om overeind te komen.
Ik grinnik.
‘Wat is er zo grappig?’ Ze onderneemt een tweede vergeefse poging om op te staan.
Ik wijs naar het lege cocktailglas. ‘Ik moest geld vinden. Jij zou me gewetenloos laten vermoorden. En ik wilde niet dood. Dat begrijp jij toch ook?’
Het laatste wat ik zie voordat ik mijn bewustzijn verlies is Bruno die de laptop uit Emilies krachteloze handen pakt.    
 
< vorige blog: 118. Creatief met water volgende blog: 119. Herrie op Ameland >
 
 
inDelen