Hoofdstukken

De Eindejaarsman

uit De Eindejaarsman
Naast de keukendeur hing een rekje met sleutels. Als enige op het plein had Jaap de sleutels van veel huizen in zijn bezit en ook die van het hotel. Ze hingen er al toen zijn ouders nog leefden. Omdat ze eerlijk en betrouwbaar waren en altijd thuis waren, klopten pleinbewoners die wel met vakantie gingen, bij hen aan met de vraag om de planten water te geven en de post uit de brievenbus te halen.
      Hij nam een sleutel met een grote baard van het rekje. Het ouderwetse slot van de achterdeur van het hotel was niet vervangen, wist hij. Dat zou na Nieuwjaar gebeuren. Hij dacht aan zijn vader die, nadat hij iets van Jaap, diens zus Nel of hun moeder aan een ander had weggegeven, beweerde dat geven beter was dan nemen.
      Op een middag was Jaap uit school gekomen. Hij had zijn tas op het tafeltje in zijn slaapkamer gekwakt en het meteen gezien. De ingelijste poster van het eerste elftal van PSV was van de muur. Hij had zich op de rand van zijn bed laten zakken. Mocht hij dan helemaal niets houden? Minder dingen bezitten geeft meer ruimte, zei vader. Of: Als iedereen een poosje van elkaars spullen geniet en ze dan doorgeeft aan een ander, komen ze vanzelf terug bij degene die ze het eerst heeft weggegeven. Ook een door Jaap zelf gemaakte houten T-Ford model 1930, was ten prooi gevallen aan vaders weggeefzucht. Het was verdorie een verjaardagscadeautje voor vader zelf geweest. Nog geen maand later zag de vader van zijn buurvrouw Lila de T-Ford op de vensterbank en zei dat de auto leuk op de schoorsteen in de slaapkamer van hem en zijn vrouw zou staan. Je mag hem hebben, zei vader tot Jaaps verbijstering. En toen Jaap vorige week bij Lila was om boven een losgeraakt scharnier vast te zetten, stond de T-Ford nog steeds prominent op de schoorsteen van de oude slaapkamer van haar ouders. Hij had niet eens een plekje in hun seniorenwoning in Middelburg gekregen.
      Hij stopte de schoenendoos met geld in een plastic tas en ging naar de achterdeur. Meteen nadat hij buiten de klink losliet, voelde hij de aandrang om te plassen. Eerder die avond had hij vijf biertjes gedronken om zich moed in drinken. Bier en spanning, geen beste combinatie. Over een paar minuten was hij weer thuis, tot die tijd moest hij het ophouden. De luiken aan de achterkant van het huis sloegen tegen de muur. Het plein was verlaten. Hier en daar brandde licht. Ook in café Het Anker, aan de overkant van het plein. Eigenaar Hans sloot de tent stipt om twee uur, ruimde de boel daarna op en ging, met uitzondering van maandag en dinsdag als de zaak gesloten was, tegen drieën naar bed.
      Ergens brak iets van glas. Door de wind was het lastig schatten waar het geluid vandaan kwam. Iemand had waarschijnlijk een raam open laten staan. Jaap ploeterde door de smeltende sneeuw op het weiland tussen zijn schuur en de parkeerplaats van het hotel. Hier en daar was de sneeuw hoog opgestuwd. De dunne rubberlaarzen gaven geen enkele warmte, zijn tenen verkleumden meer bij elke stap die hij zette. Ook het fanfarekostuum bood geen bescherming tegen de koude wind. Zijn tanden klapperden. Bliksemschichten sneden door de hemel. Bij het hotel draaide hij de achterdeur van het hotel van het slot. Door het kleine raam ernaast viel amper genoeg licht naar binnen om de contouren van de inrichting te onderscheiden. Als iemand die moed verzamelde om een nieuwjaarsduik in zee te nemen, duwde hij de deur open. De meeste mensen hadden het niet op onverwachte bezoekjes, helemaal niet als een gast midden in de nacht stiekem naar binnen kwam met een eigen sleutel. In het halletje hing een vage brandlucht. De deur naar de lobby stond open. Aan de voorkant viel licht van de straatlantaarns door de ruitjes van de voordeur. Hij trok zijn laarzen uit en liet ze achter in het halletje, de zware zolen zouden te veel lawaai maken op de stenen vloer. Op zijn sokken gleed hij over de tegels en langs de trap. Hij passeerde de openstaande deur naar de trap die naar de privévertrekken van Ad en Chantal leidde, trok de deur van het kantoor open en hing de plastic tas met de schoenendoos aan de kapstok.
      Terug in de lobby viel zijn blik op de stenen kandelaar in een nis bij de trap. De kandelaar had ooit in de gang van zijn ouderlijk huis gestaan, totdat de vorige eigenaar van het hotel had beweerd dat hij beter tot zijn recht zou komen in de lobby van Duinzicht. Zonder aarzelen had vader het ding van de grond getild en het meegegeven.
      Dingen weggeven had vader een goed gevoel gegeven. Maar hoe zat het met het gevoel van moeder, Jaap en Nel? Vader wilde er nooit bij stilstaan wat zijn onzelfzuchtigheid met hen deed. Opnieuw voelde Jaap de boosheid en machteloosheid van vroeger. Geven was helemaal niet beter dan nemen. Geven was achter je rug om worden uitgelachen. Het was je tegen beter weten in hechten aan spullen waarvan je wist dat ze vroeg of laat in een ander gezin zouden opduiken, waardoor jij met lege handen achterbleef. Minder spullen betekende meer ruimte, omdat je een steeds kleinere inboedel kreeg. De Eindejaarsman gaf niet alleen, besloot Jaap ter plekke, hij nam ook terug wat ooit onrechtmatig was weggegeven. Hij tilde de kandelaar van de vloer. Weer klonk een harde donderklap. Door de hoge ramen flitste de aaneengesloten keten van elektrische ontladingen in de hemel. Uit de kierende deur van de schoonmaakkast kwam een bedompte lucht. Tussen twee donderklappen door hoorde hij een diep gegrom, waarvan hij meteen begreep dat het geen onweer was.
      ‘Jubeltje, ik ben het,’ zei hij met een stem die hij meestal reserveerde voor kleuters. De nagels van de poedel kwamen tikkend en dreigend dichterbij. ‘Braaf,’ fluisterde Jaap. Jubel gromde opnieuw. Wie had kunnen denken dat er een waakhond schuilde in die poedel. Op een paar meter van Jaap vandaan fonkelden twee hondenogen in het zwakke licht. Een onverwacht zware donderklap bracht hem uit zijn evenwicht, de kandelaar ontsnapte aan zijn greep en kletterde in stukken op de tegelvloer. Boven ging een deur open. Zonder zich te bedenken, schoot Jaap de schoonmaakkast naast hem in en stootte een emmer omver. Hij gaf een ruk aan de klink om de deur te sluiten. Het hout was vervormd, door de spleet tussen de deur en het kozijn keek hij de lobby in.
      ‘Jubel,’ riep Chantal van bovenaf de trap. ‘Kom.’ De poedel verroerde zich niet en leek volledig op te gaan in zijn rol van bloeddorstig monster. Het roerloze silhouet van de zwarte hond stak scherp af tegen de lichte muur van de lobby. Jubel kwam langzaam dichterbij. Jaaps kaken verstrakten. Nog even en deze pitbull vermomd als poedel zou zich naar binnen wringen en hem verscheuren. De druk in zijn blaas werd onhoudbaar. Net op tijd lukte het hem om de emmer overeind te zetten en zijn gulp te openen. Door alle opwinding en het vele bier voelde het alsof er een kraan in zijn onderbuik werd opengedraaid.
      ‘Jubeltje, kom dan,’ riep Chantal. De hond maakte nog steeds geen aanstalten om te luisteren. Driftige voetstappen daalden de trap af. Over een paar seconden zou Chantal erachter komen waarom Jubel zo tekeer ging. Ze zou de werkkast opentrekken en er een duister persoon in een fanfare-uniform aantreffen die zojuist in een emmer had geplast. De lobby werd weer verlicht door bliksem, tegelijkertijd klonk een knal alsof er een bom was ontploft. Die was ergens ingeslagen.
 
 
 
inDelen